wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Medische Genetica

Total questions: 23

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Uit HOEVEEL baseparen bestaat het haploide genoom van de mens?

a)

3.000.000

b)

30.000.000

c)

300.000.000

d)

3.000.000.000

2.

HOEVEEL voor eiwit coderende genen heeft de mens ongeveer?

a)

10.000

b)

20.000

c)

40.000

d)

80.000

3.

De synthese RICHTING van transcriptie is:

a)

5' naar 2'

b)

2' naar 5'

c)

5' naar 3'

d)

3' naar 5'

4.

Welke drie stellingen met betrekking tot de selectiviteit van transcriptie zijn WAAR?

a)

Sommige genen komen alleen tijdens de ontwikkeling tot expressie

b)

Sommige genen komen alleen in bepaalde weefsels tot expressie

c)

Sommige genen komen alleen in een bepaald celtype tot expressie

d)

Ieder gen komt in alle cellen tot expressie

5.

Welke drie stellingen m.b.t. transcriptie (TC) zijn WAAR?

a)

TC vindt plaats in het cytoplasma

b)

Beide DNA strengen kunnen als matrijs dienen voor TC

c)

Promoter methylering kan leiden tot verlies van genexpressie

d)

Een gen kan worden afgeschreven vanaf meerdere promoters

6.

Welke drie stellingen m.b.t. splicing zijn WAAR?

a)

Splicing verwijdert exonen van een gen uit het pre-mRNA

b)

Alternatieve splicing leidt tot meerdere eiwitten voor 1 gen

c)

Splice acceptor mutaties veroorzaken exon uitsluiting

d)

Splice donor mutaties veroorzaken exon uitsluiting

7.

Waarvoor zorgen capping en/of polyadenylering van mRNA? Meerdere correcte antwoorden mogelijk!

a)

Betere bescherming tegen exonucleases

b)

Verhoogde translatie van het mRNA naar eiwit

c)

Versnelde afbraak van het mRNA

d)

Versneld transport van het mRNA naar het cytoplasma

8.

Welke twee codons kunnen als initiatie codon gebruikt voor de translatie?

a)

AUG

b)

GUG

c)

UGA

d)

UAG

9.

De 64 verschillende triplet codons coderen voor ??? aminozuren en voor ??? stop signalen

a)

19 / 1

b)

19 / 3

c)

20 / 1

d)

20 / 3

10.

Welk antwoord is WAAR? Posttranslationele eiwit modificatie kan leiden tot ........

Meerdere correcte antwoorden mogelijk!

a)

Activering van een enzym

b)

Transport naar een celorganel

c)

Verankering in een membraan

d)

Versnelde eiwitafbraak

11.

Hoe wordt de STRUCTUUR van de aminozuurvolgorde van een polypeptide aangeduid?

a)

Primaire structuur

b)

Secundaire structuur

c)

Tertiaire structuur

d)

Quartenaire structuur

12.

Welk antwoord is WAAR? Mutaties zijn:

a)

Beschadigingen van het DNA

b)

Deleties

c)

Permanente veranderingen in de basevolgorde van het DNA

d)

Alle andere genoemde antwoorden

13.

Welke PROCESSEN tijdens DNA replicatie houden de spontane mutatie frequentie laag?

a)

Proofreading / Apoptose

b)

Proofreading / Mismatch repair

c)

Recombinatie / Apoptose

d)

Recombinatie / Mismatch repair

14.

HOE wordt een GC naar AT basepaar subsitutie genoemd?

a)

Transitie

b)

Transpositie

c)

Transposon

d)

Transversie

15.

In WELKE gebieden van het genoom kunnen mutaties worden gevormd?

a)

Exonen

b)

Intronen

c)

Telomeren

d)

Alle genoemde gebieden

16.

WAAR in een eiwit is de kans het grootst dat aminozuurveranderingen de functie ervan aantasten?

a)

In het N-terminale gedeelte van het eiwit

b)

In het C-terminale gedeelte van het eiwit

c)

In de evolutionair geconserveerde gebieden van het eiwit

d)

In alle genoemde gebieden

17.

Welke drie antwoorden zijn is WAAR?

Een -1 bp deletie in een exon van een gen kan leiden tot:

a)

Een verschuiving van het leesraam tijdens de eiwitsynthese

b)

Verlies van transcriptie

c)

Buitensluiting van het exon tijdens splicing

d)

Mislokalisatie van het gecodeerde eiwit

18.

WAAR in een gen is voor een basepaar subsitutie de kans op verlies van functie het grootst?

a)

Exon

b)

Intron

c)

Promoter

d)

Splice site

19.

Welke drie antwoord zijn WAAR?

Een mogelijk gevolg van een mutatie in een exon van een gen is:

a)

Verlies van functie van het gecodeerde eiwit

b)

Veranderde functie van het gecodeerde eiwit

c)

Verminderde mRNA productie van het gen

d)

Verminderde stabiliteit van het afgeschreven mRNA

20.

Welk overervingspatroon past het best bij deze stamboom van de erfelijke ziekte EZ?

a)

Autosomaal dominant

b)

Autosomaal recessief

c)

X-chromosomaal dominant

d)

X-chromosomaal recessief

21.

Wat is de kans dat vader IV-4 drager is van de ziekte EZ veroorzakende mutatie?

a)

0 %

b)

25 %

c)

50 %

d)

100 %

22.

Wat is de kans dat moeder IV-5 drager is van de ziekte EZ veroorzakende mutatie?

a)

0 %

b)

25 %

c)

50 %

d)

100 %

23.

Wat is de kans dat zoon met het vraagteken de ziekte EZ heeft?

a)

0 %

b)

25 %

c)

50 %

d)

100 %