wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

VGT 1+2+3

Total questions: 62

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

Wat is geen functie van het skelet?

a)

bescherming

b)

stevigheid

c)

beweging

d)

spijsvertering

2.
Op welke manier maakt je skelet beweging mogelijk?
a)
Doordat de botten langs elkaar schrapen als je sport
b)
Doordat je spieren aan de botten vastzitten 
c)
Doordat je botten veel energie bevatten
d)
Doordat je skelet bestaat uit kraakbeen en kraakbeen is beweeglijk
3.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 4?
a)
Ellepijp
b)
Spaakbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
4.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 2?
a)
Spaakbeen
b)
Schouderblad
c)
Borstbeen
d)
Wandbeen
5.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 11?
a)
Heiligbeen
b)
Staartbeen
c)
Heupbeen
d)
Bekken
6.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 3?
a)
Heiligbeen
b)
Halswervel
c)
Ribben
d)
Borstbeen
7.

Welk bot wordt aangegeven met nummer 6? ( aan de kant van je duim)

a)

Ellepijp

b)

Spaakbeen

c)

Opperarmbeen

d)

Bovenarmbeen

8.
de hersenen worden beschermt door de
a)
ribben
b)
schedelbeenderen
c)
scheenbeen
d)
sleutelbeen
9.

hoe heet het bot in je bovenarm?

a)

bovenarmbeen

b)

opperarmbeen

c)

bovenbeen

10.

Hoe heet laatste stukje van je wervelkolom?

a)

staartbeen

b)

heiligbeen

c)

ruggengraat

d)

lendewervels

11.

In het groen zijn de ..... te zien.

a)

Voetwortelbeentjes

b)

Teenkootjes

c)

Middenvoetsbeentjes

12.

Is een gewricht een beenverbinding?

a)

Ja

b)

Nee

13.

Wat voor type gewricht is je schouder?

a)

Kogelgewricht

b)

Rolgewricht

c)

Scharniergewricht

14.

Welk type gewricht zie je hier?

a)

Kogelgewricht

b)

Rolgewricht

c)

Scharniergewricht

15.

Welk nummer staat bij een rolgewricht?

a)

1

b)

2

c)

3

16.

Wat zijn twee antagonisten?

a)

Twee samentrekkende pezen.

b)

Twee spieren met een tegengestelde werking.

c)

Twee spieren met dezelfde werking op een andere plek in het lichaam.

d)

Twee pezen met een tegengestelde werking.

17.

Wat wordt aangewezen met nummer 4?

a)

Spier

b)

Pees

c)

Kraakbeen

d)

Bot

18.

Welke spier trekt in deze afbeelding samen?

a)

Biceps

b)

Triceps

19.

Een voorbeeld van een vergroeid bot is het ...

a)

Opperarmbeen

b)

Dijbeen

c)

Heiligbeen

20.

Botten die verbonden zijn met kraakbeen kunnen ...

a)

Niet bewegen ten opzichte van elkaar.

b)

Een beetje bewegen ten opzichte van elkaar.

c)

Veel bewegen ten opzichte van elkaar.

21.

Welk orgaan wordt beschermt door het skelet?

a)

Darmen

b)

Maag

c)

Longen

d)

Luchtpijp

22.

Totale vergroting = vergroting oculair + vergroting objectief

a)

JA

b)

NEE

23.

De tubus is de buis waarin de oculair zit.

a)

JA

b)

NEE

24.

De taak van de revolver is het scherpstellen van je beeld.

a)

JA

b)

NEE

25.

Als je met een microscoop gaat werken, begin je altijd met het grootste objectief.

a)

JA

b)

NEE

26.

Zet de stappen in de juiste volgorde:

A. Draai aan de grote schroef terwijl je langs de zijkant kijkt naar de voorwerptafel.

B. Zet het lampje aan van de microscoop.

C. Stel het beeld scherp met de kleine schroef.

D. Leg het voorwerp (preparaat) op de voorwerptafel en gebruik de voorwerpklemmetjes om het voorwerp vast te zetten.

E. Kijk door je oculair en draai aan je grote schroef tot dat je een beeld krijgt.

(schrijf je antwoord op door de letters A tot en met E in je juiste volgorde te zetten, bijvoorbeeld E D C B A)

(a)  

27.
Deze cellen hebben cytplasma
a)
Dierlijke cel
b)
Plantaardige cel
c)
Beide soorten cellen
d)
Allebei niet
28.
Deze cellen hebben een celmembraan.
a)
Dieriljke cellen
b)
Plantaardige cellen
c)
Beide de soorten cellen
d)
Allebei niet
29.

Deze cellen hebben een celwand.

a)

Dierlijke cellen

b)

Plantaardige cellen

c)

Allebei de soorten cellen

d)

Allebei niet

30.
Deze cellen kunnen weefsels vormen.
a)
Dierlijke cellen
b)
Plantaardige cellen
c)
Allebei de soorten
d)
Allebei niet
31.
Vervoert zuurstof en voedingsstoffen naar de organen.
a)
ademhalingsstelsel
b)
bloedvatenstelsel
c)
spierstelsel
d)
zenuwstelsel
32.
Welk orgaan valt niet onder het verteringsstelsel?
a)
dikke darm
b)
dunne darm
c)
hart
d)
maag
33.
Welk onderdeel heeft een dierlijke cel niet?
a)
Kern
b)
Celmembraan
c)
Celwand
d)
Cytoplasma
34.
Wat is de juiste volgorde van groot naar klein?
a)
Organenstelsel - Organisme - Weefsel - Cellen
b)
Organisme - Organenstelsel - Weefsel - Cellen
c)
Organisme - Organenstelsel - Organen - Weefsel - Cellen
d)
Organenstelsel- Organisme - Organen
35.

Waar in een plantencel vind fotosynthese plaats?

a)

Celkern

b)

Cytoplasma

c)

Bladgroenkorrels

d)

Celwand

36.

Een groep organen die samen een bepaalde functie hebben is een ......

a)

Cel

b)

Weefsel

c)

Orgaan

d)

Organenstelsel

e)

Organisme

37.

De lever hoort bij het .......

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Verteringsstelsel

c)

Spierstelsel

d)

Zenuwstelsel

38.

Zie je in de afbeelding één of meerdere weefsels?

a)

één weefsel

b)

meerdere weefsels

39.

Wat is de functie van nummer 4?

a)

Het verplaatsen van de tafel.

b)

Het bijstellen van het licht.

c)

Het scherp zetten van het beeld

d)

Het draaien van de objectieven.

40.

Onderdeel 1 heet

a)

Cytoplasma

b)

Vacuole

c)

Kern

41.
welke orgaan wordt aan gegeven met nr. 1
a)
slokdarm
b)
keel
c)
luchtpijp
d)
strot
42.
Welk orgaan wordt aangegeven met nr. 5 
a)
lever
b)
dikke darm
c)
maag
d)
alvleesklier
43.
Welk organenstelsel is hier afgebeeld?
a)
bloedvatenstelsel
b)
zenuwstelsel
c)
spierenstelsel
d)
verteringsstelsel 
44.
Wat is een weefsel?
a)
een groep cellen met dezelfde vorm en functie
b)
cellen die delen
c)
een groep cellen met een verschillende vorm
45.
Hoe heet de bovenste lens waardoor je kijkt?
a)
oculair
b)
objectief
46.
Wat is de functie van de revolver
a)
hiermee klem je het preparaat vast
b)
hiermee kun je naar een geschikt objectief draaien
c)
hieraan pak je de microscoop vast
47.

Welk orgaan heeft deze taak:

Nemen water en mineralen op uit de bodem, zetten de plant vast in de bodem.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

48.

Welk orgaan heeft deze taak:

Voor transport van stoffen en rechtop houden (stevigheid) van de plant.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

49.

Welk orgaan heeft deze taak:

Hier maakt een plant voedingsstoffen, dat is fotosynthese.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

50.

Welk orgaan heeft deze taak:

Zorgen voor de voortplanting, de ontwikkeling van vruchten en zaden.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

51.

Wat zijn de functies van de wortels van een plant? (meerdere antwoorden goed)

a)

geeft stevigheid aan de plant

b)

zorgt voor opname van zuurstof

c)

zorgt voor opname van water

d)

zorgt voor opname van bladgroen

e)

zorgt voor opname van mineralen

52.

door het volgende onderdeel kunnen de planten extra goed water opnemen:

a)

de wortels

b)

de stengels

c)

de wortelharen

d)

de bladeren

53.

Hierboven zie je een esdoornblad. Welk deel van het blad is roodgekleurd? En wat zijn de groene lijntjes die erdoorheen lopen?

a)

het rode is bladmoes, het groene is de nerven

b)

het rode is bladmoes, het groene is de bladsteel

c)

het rode is de nerven, het groene is de bladsteel

54.

In welk deel van de wortel wordt reservevoedsel vooral opgeslagen?

a)

Hoofdwortel

b)

Zijwortel

c)

Wortelhaar

d)

Stengel

55.

Wat is geen functie van wortels?

a)

De plant stevig vast zetten in de grond

b)

Water opnemen uit de grond

c)

Voedsel opnemen uit de grond

d)

Zuurstof maken

56.

Welke stoffen heeft een plant nodig om fotosynthese te laten plaatsvinden?

a)

Glucose en koolstofdioxide

b)

Glucose en zuurstof

c)

Water en koolstofdioxide

d)

Water en zuurstof

57.

Water + 1 + licht = 2 + zuurstof

Wat moet worden ingevuld bij 1? en wat bij 2?

a)

1=Glucose, 2=Voedingsstoffen

b)

1=koolstofdioxide, 2=glucose

c)

1=voedingsstoffen, 2=glucose

d)

1=voedingsstoffen, 2=koolstofdioxide

58.
De ...... beginnen in de wortel, lopen door de stengel heen naar de vruchten, bloemen en bladeren.
Welk woord ontbreekt er?
a)
Vaten
b)
Vaatbundels
59.
Hoe komt een plant die op het land groeit aan water? En hoe aan koolstofdioxide?
a)
Water wordt uit de bodem opgenomen, koolstofdioxide uit de lucht
b)
Water wordt uit de lucht opgenomen, koolstofdioxide uit de bodem
c)
Water en koolstofdioxide worden beide uit de bodem opgenomen
d)
Water en koolstofdioxide worden beide uit de lucht opgenomen 
60.

Hoe krijgt de plant energie?

a)

Fotolyse

b)

Fotografie

c)

Fotosynthese

d)

Fotocamera

61.

Wat wordt er opgenomen door de wortels

a)

Water

b)

Water en mineralen

c)

Zuurstof

d)

Glucose en water

62.

Wat is de juiste formule voor fotosynthese?

a)

koolstofdioxide + zuurstof + zonlicht --> glucose + water

b)

water + zuurstof + zonlicht --> glucose + koolstofdioxide

c)

water + koolstofdioxide --> glucose + zuurstof

d)

koolstofdioxide + water + zonlicht --> glucose + zuurstof