wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Stevigheid en beweging

Total questions: 60

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn de namen van de botten met nummer 5 en 6?

a)

5=schouderblad en 6=spaakbeen

b)

5=ellepijp en 6=rib

c)

5=opperarmbeen en 6=borstbeen

d)

5=dijbeen en 6=borstbeen

2.

Bekijk het kattenskelet. Welke beenverbinding bevindt zich tussen nummer 1 en 2?

a)

een kraakbeenverbinding

b)

een scharniergewricht

c)

een kogelgewricht

d)

een naad

3.

Tussen welke twee botten bevindt zich een kraakbeenverbinding?

a)

tussen de halswervels

b)

tussen schouderblad en opperarmbeen

c)

tussen de wervels in het heiligbeen

d)

tussen de schedelbotten

4.

Je ziet hier een type gewricht uit het menselijk lichaam. Op welke twee plekken komt dit type gewricht voor?

a)

in je schedel en tussen je vingerkootjes

b)

tussen het spaakbeen en ellepijp en in de knie

c)

in de schouder en in de elleboog

d)

in de heup en in de schouder

5.

Welk gewrichtsonderdeel wordt bedoeld met nummer 1?

a)

gewrichtskapsel

b)

kraakbeenlaagje

c)

gewrichtssmeer

d)

kapselband

6.

Welke twee onderdelen zorgen ervoor dat een gewricht soepel beweegt?

a)

het kraakbeenlaagje en het gewrichtskapsel

b)

de gewrichtskom en de gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer en het kraakbeenlaagje

d)

de kapselband en het gewrichtssmeer

7.

Welk type gewricht zie je op de afbeelding?

a)

Rolgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Kogelgewricht

d)

Zadelgewricht

8.

Waarmee zitten de twee botten van een gewricht aan elkaar vast?

a)

Kraakbeen

b)

Gewrichtskapsel

c)

Bot

9.

Een voorbeeld van een vergroeid bot is het ...

a)

Opperarmbeen

b)

Dijbeen

c)

Heiligbeen

10.

Bij vergroeide botten is er...

a)

Geen beweging mogelijk.

b)

Een beetje beweging mogelijk.

c)

Veel beweging mogelijk.

11.

Botten die verbonden zijn met kraakbeen kunnen ...

a)

Niet bewegen ten opzichte van elkaar.

b)

Een beetje bewegen ten opzichte van elkaar.

c)

Veel bewegen ten opzichte van elkaar.

12.

Waardoor kan een gewricht (onder andere) soepel bewegen?

a)

Gewrichtskom

b)

Gewrichtskapsel

c)

Gewrichtskraakbeen

d)

Gewrichtskogel

13.

Welk type verbinding zie je op de afbeelding?

a)

Rolgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Kogelgewricht

d)

Naadverbinding

14.

Welk type gewricht zie je op de afbeelding?

a)

Rolgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Kogelgewricht

15.

De tussenwervelschijf tussen twee wervels is een voorbeeld van een ...

a)

Naadverbinding

b)

Gewrichtsverbinding

c)

Kraakbeenverbinding

d)

Wervelverbinding

16.
Op welk plaatje zie je een naadverbinding?
a)
Plaatje 1
b)
Plaatje 2
c)
Plaatje 3
d)
Geen enkele
17.

Bij welk type gewricht kun je alleen een beweging heen en terug maken?

a)

Kogelgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Rolgewricht

18.

In de afbeelding zie je een tekening van een heupgewricht. Wat is de naam van onderdeel 1?

a)

Kapselband

b)

Gewrichtskapsel

c)

Gewrichtskogel

d)

Gewrichtskom

19.

In de afbeelding zie je een tekening van een heupgewricht. Wat is de naam van onderdeel 2?

a)

Kraakbeenlaagje

b)

Gewrichtskapsel

c)

Kapselband

d)

Gewrichtssmeer

20.

In de afbeelding zie je een tekening van een heupgewricht. Wat is de naam van onderdeel 3?

a)

Kapselband

b)

Gewrichtskapsel

c)

Gewrichtskogel

d)

Gewrichtskom

21.

In de afbeelding zie je een tekening van een heupgewricht. Wat is de naam van onderdeel 4?

a)

Kraakbeenlaagje

b)

Gewrichtskapsel

c)

Kapselband

d)

Gewrichtssmeer

22.

Piet legt een kippenboutje een paar uur in verdund zoutzuur. Nadat hij het kippenboutje eruit gehaald heeft bestudeert hij het aandachtig.

Wat neemt Piet waar en waardoor is dit veroorzaakt?

a)

Het kippenboutje is buigzaam doordat de lijmstof is opgelost.

b)

Het kippenboutje is buigzaam doordat de kalkzouten opgelost zijn.

c)

Het kippenboutje is breekbaar doordat de kalkzouten opgelost zijn.

d)

Het kippenboutje is breekbaar doordat de lijmstof opgelost is.

23.

In de neus vind je kraakbeen.

a)

Juist

b)

Onjuist

24.

De beenderen bij baby's bestaan voornamelijk uit kraakbeen.

a)

Juist

b)

Onjuist

25.

Lijmstof verbrandt in een vlam.

a)

Juist

b)

Onjuist

26.

Welke stof zit vooral in kraakbeen?

a)

Kalkzout

b)

Lijmstof

c)

Zoutzuur

d)

Brandstof

27.

Been is buigzamer dan kraakbeen.

a)

Juist

b)

Onjuist

28.

In de loop van je leven:

a)

Komen er minder kalkzouten in je botten.

b)

Komt er minder lijmstof in je botten.

c)

Blijft de hoeveelheid kalkzouten en lijmstof gelijk.

d)

Komt er meer lijmstof in je botten.

29.

De botten van een bejaarde en van een kind worden vergeleken op breekbaarheid en buigzaamheid.

De botten van een kind zijn:

a)

Breekbaarder en buigzamer.

b)

Breekbaarder en minder buigzaam.

c)

Minder breekbaar en buigzamer.

d)

Minder breekbaar en minder buigzaam.

30.

De botten van een bejaarde en van een kind worden vergeleken op breekbaarheid en buigzaamheid.

De botten van een kind zijn:

a)

Breekbaarder en buigzamer.

b)

Breekbaarder en minder buigzaam.

c)

Minder breekbaar en buigzamer.

d)

Minder breekbaar en minder buigzaam.

31.

Piet legt een kippenboutje een paar uur in verdund zoutzuur. Nadat hij het kippenboutje eruit gehaald heeft bestudeert hij het aandachtig.

Wat neemt Piet waar en waardoor is dit veroorzaakt?

a)

Het kippenboutje is buigzaam doordat de lijmstof is opgelost.

b)

Het kippenboutje is buigzaam doordat de kalkzouten opgelost zijn.

c)

Het kippenboutje is breekbaar doordat de kalkzouten opgelost zijn.

d)

Het kippenboutje is breekbaar doordat de lijmstof opgelost is.

32.

In de neus vind je kraakbeen.

a)

Juist

b)

Onjuist

33.

Welke stof verdwijnt als je een bot in zoutzuur legt?

a)

Kalk

b)

Lijmstof

34.
Bevatten de botten van een baby (in verhouding) meer lijmstof of kalkstof?
a)
Lijmstof
b)
Kalkstof
35.

Hoe heet bot nummer 12?

a)

Ellepijp

b)

Spaakbeen

c)

Kuitbeen

d)

Opperarmbeen

36.

Welke van de vier beenverbindingen is een verbinding waarbij lichte beweging mogelijk is?

a)

1: Verbinding met een naad

b)

2: Vergroeid

c)

3: Kraakbeenverbinding

d)

4: Gewricht

37.

Welk deel van het gewricht zorgt ervoor dat deze goed op zijn plek blijft?

a)

Laagje kraakbeen

b)

Kapselbanden

c)

Gewrichtssmeer

d)

Gewrichtskogel

38.

Door welk gewricht zijn je ellepijp en je spaakbeen aan elkaar verbonden?

a)

Kogelgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Rolgewricht

39.

Hoe heet bot nummer 5?

a)

Spaakbeen

b)

Kuitbeen

c)

Sleutelbeen

d)

Schouderblad

40.

Hoe heet bot nummer 18?

a)

Handwortelbeentje

b)

Middenhandsbeentje

c)

Vingerkootje

d)

Spaakbeen

41.
Welk type beenverbinding is hier afgebeeld?
a)
Gewricht
b)
Kraakbeenverbinding
c)
Vergroeiing
d)
Naadverbinding
42.
Welk type beenverbinding is zeer beweeglijk?
a)
Kraakbeenverbinding
b)
Gewrichten
c)
Naadverbinding
d)
Vergroeiing
43.
Wat gebeurt er met een spier als hij zich aanspant?
a)
Wordt kort en dun
b)
Wordt lang en dun
c)
Wordt kort en dik
d)
Wordt lang en dik
44.

Wat zijn antagonisten?

a)

Spieren met dezelfde werking

b)

Willekeurige spieren

c)

Onwillekeurige spieren

d)

Spieren met een tegenovergestelde werking

45.

Een voorbeeld van antagonisten zijn de biceps en de triceps

a)

Waar

b)

Niet waar

46.

Waardoor kunnen gewrichten makkelijk langs elkaar bewegen?

a)

Beenverbinding

b)

Gewrichtsbanden

c)

Gewrichtssmeer

d)

Kraakbeen

47.

Ledematen bestaan uit 2 armen en 2 ...

(a)  

48.

Bevatten de botten van jonge mensen meer kalk dan botten van oude mensen?

a)

Ja

b)

Nee

49.

Zit de ellepijp aan de kant van de pink?

a)

Ja

b)

Nee

50.

Het borstbeen is aangegeven met nummer

a)

5

b)

6

c)

7

d)

8

51.

Gewricht B is een

a)

Scharniergewricht

b)

Kogelgewricht

c)

Zadelgewricht

d)

Kraakbeengewricht

e)

Rolgewricht

52.

Gewricht E is een

a)

Scharniergewricht

b)

Kogelgewricht

c)

Zadelgewricht

d)

Kraakbeengewricht

e)

Rolgewricht

53.

Welke uitspraak is waar?

a)

In kraakbeen zit evenveel lijmstof als kalk.

b)

In kraakbeen zit meer lijmstof dan kalk.

c)

In kraakbeen zit minder lijmstof dan kalk.

54.

Wat is de oorzaak van het feit dat baby’s hun eigen tenen in hun mond kunnen

steken?

a)

Het skelet van een baby bestaat vooral uit kraakbeen.

b)

In de botten van een baby zit veel kraakbeen.

c)

In de botten van een baby zit veel kalk en weinig lijmstof.

55.

De wervelkolom heeft een dubbele-...-vorm.

(a)  

56.

Uit welke 3 onderdelen bestaat het skelet van de mens?

a)

Hoofd, romp en benen

b)

Hoofd, romp en armen

c)

Hoofd, romp en ledematen

d)

Hoofd, armen en benen

57.

Wat voor een gewricht is hier te zien?

a)

Scharniergewricht

b)

Rolgewricht

c)

Kogelgewricht

d)

Zadelgewricht

58.

Wat zijn antagonisten?

a)

Spieren die elkaar versterken

b)

Spieren die een tegenovergestelde werking hebben

c)

Spieren die op dezelfde plaats liggen

d)

Spieren die dezelfde functie hebben

59.

Juist of onjuist: een ander woord voor botten is beenderen

a)

Juist

b)

Onjuist

60.

Welke persoon breekt sneller een bot als hij valt?

a)

Een baby

b)

Een kind

c)

Een volwassene

d)

Een oudere