Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

M3 Regeling

Total questions: 37

Worksheet time: 44mins

Name
Class
Date
1.

Horen zenuwen bij het zenuwstelsel

a)

ja

b)

nee

2.

Waaruit bestaat het centrale zenuwstelsel?

a)

Uit hersenen en het ruggenmert

b)

Uit het ruggenmerg en zenuwen

c)

Het ruggenmerg en zenuwcellen

d)

Uit zenuwen en zenuwcellen

3.

Een zenuwcel geleidt impulsen naar spieren in de pink.

Waar ligt het cellichaam van deze zenuwcel?

a)

in de arm

b)

in de hand

c)

in de pink

d)

in het centraal zenuwstelsel

4.

Bevinden zenuwen zich alleen in het zenuwstelsel?

a)

ja

b)

nee

5.
Je zintuigen nemen
a)
taken waar
b)
mensen waar
c)
prikkels waar
d)
iets op
6.
Een impuls gaat door je zenuwen naar
a)
je zintuigen
b)
je botten
c)
je spieren
d)
je hersenen
7.
Zenuwen komen samen in
a)
je spieren
b)
je hersenen
c)
je ruggenmerg
d)
je skelet
8.
Je neemt pas waar als de impulsen
a)
in je hersenen zijn aangekomen
b)
onderweg zijn naar je hersenen
c)
in je ruggenmerg zijn aangekomen
d)
in je spieren zijn aangekomen
9.

Het zenuwstelsel bestaat uit meerdere organen. Het Centrale Zenuwstelsel bestaat uit ..

a)

De grote hersenen, de zenuwbanen en de kleine hersenen

b)

De grote hersenen, de kleine hersenen en het ruggenmerg

c)

De grote hersenen, de zenuwbanen en het ruggenmerg

d)

De grote hersenen, de hersenstam en de zenuwbanen

10.

Een zenuwcel bestaat uit een aantal onderdelen. Nummer 2 is ..

a)

het cellichaam

b)

de korte uitloper

c)

de lange uitloper

d)

de celkern van het cellichaam

11.

De zenuwcel die weergegeven is in de afbeelding is een ..

a)

schakelzenuwcel

b)

gevoelszenuwcel

c)

bewegingszenuwcel

12.

De weg van een impuls gaat over een aantal banen. De juiste volgorde van het ontstaan van een prikkel tot de actie is:

a)

prikkel-bewegingszenuwcel-schakelzenuwcel-ruggenmerg-hersenen-ruggenmerg-gevoelszenuwcel-schakelzenuwcel-spier

b)

prikkel-zintuigcel-impuls-gevoelszenuwcel-schakelzenuwcel-ruggenmerg-hersenen-schakelzenuwcel-ruggenmerg-bewegingszenuwcel-spier

c)

impuls-zintuigcel-ruggenmerg-schakelzenuwcel-grote hersenen-kleine hersenen-ruggenmerg-gevoelszenuwcel-spier

13.

Wat is geen onderdeel van het centraal zenuwstelsel?

a)

Hersenen

b)

Zenuwen

c)

Hersenstam

d)

Ruggenmerg

14.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

15.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

16.

Waar bevindt het cellichaam van de bewegingszenuwcel?

a)

Bij de spieren

b)

In het centraal zenuwstelsel

c)

Bij de zintuigen

17.

Waar bevindt zich het ruggenmerg?

a)

In de schedel

b)

In de wervelkolom

c)

In je bekken

d)

In je opperarmbeen

18.

Waar liggen de cellichamen van de schakelcellen en de bewegingscellen?

a)

In de grijze stof

b)

In de witte stof

c)

In de ruggenmergzenuw

d)

In de zenuwknoop

19.
Wat is een bewuste reactie?
a)
Schrikken
b)
Terugduwen 
c)
Knipperen met je ogen
d)
Ademen
20.
Wat is een reflex?
a)
Vaste, snelle, onbewuste reactie
b)
Trage reactie
c)
Bewuste reactie
21.
Waarom heb je reflexen?
a)
Reflexen beschermen het lichaam
b)
Omdat het leuk is
c)
Reflexen zorgen ervoor dat je weet wanneer je het warm of koud heb
22.
Wat is een Reflexboog?
a)
Een boog van reflexen 
b)
De weg die impulsen bij een reflex afleggen
c)
De spanning tussen reflexen
d)
De ruggenmerg
23.
Wat is geen hormoonklier?
a)
Schildklier
b)
Bijnieren
c)
Hypofyse
d)
Borstklier
24.
Waar hebben de hormonen geen invloed op?
a)
Groei en ontwikkeling van het lichaam
b)
Op de stofwisseling
c)
Huidskleur
d)
Op de voortplanting
25.
Waar ligt de hypofyse?
a)
Tussen beide hersenhelften
b)
Bij de nieren
c)
In het geslachtsorgaan
d)
Bij de schildklier
26.
Wat betekend het begrip: bloedsuikerspiegel?
a)
Dat is de hoeveelheid suiker dat zich in het bloed bevind
b)
Dat is bloed met suiker gemengd 
c)
Dat is het glucosegehalte van het bloed
d)
Dat betekenend helemaal niks
27.
Welk hormoon produceren die bijnieren?
a)
Adrenaline
b)
Groeihormoon
c)
Insuline 
d)
Geslachshormonen
28.
Waar hebben mensen met diabetes last van?
a)
De eilandjes van Langerhals produceren te weinig  insuline 
b)
Deze mensen hebben last van dwerggroei
c)
Deze mensen hebben een struma
d)
Het bloed is bij deze mensen te dik, waardoor het niet goed kan stromen
29.
De oranje delen van de afbeelding maken een hormoon dat:
a)
je snel veel energie geeft
b)
ervoor zorgt dat je groeit
c)
voor de goede hoeveel suikers in je bloed zorgt
d)
je secundaire geslachtskenmerken krijgt
30.
De oranje delen van de afbeelding geven aan:
a)
de bijnieren
b)
de alvleesklier
c)
de teelballen
d)
de schildklier
31.

De schildklier geeft een hormoon af dat de verbranding versnelt. Waar in het lichaam kan door dit hormoon de verbranding worden versneld?

a)

alleen in de hartspier

b)

alleen in de lever

c)

alleen in de schildklier

d)

in het hele lichaam

32.

In welk orgaan (of in welke organen) wordt het groeihormoon geproduceerd?

a)

in de bijnieren

b)

in de eierstokken

c)

in de hypofyse

d)

in de schildklier

e)

in de teelballen

33.

De tekening geeft schematisch de bouw weer van een bepaalde klier met aan- en afvoerwegen in het lichaam van de mens.

Voor welke van de volgende klieren kan dit schema gelden?

a)

voor een bijnier

b)

voor een eilandje van Langerhans

c)

voor de schildklier

d)

voor een talgklier

34.

Een onderzoekje naar het verband tussen het glucosegehalte van het bloed en een schrikreactie. Op welk tijdstip schrok deze persoon hevig?

a)

P

b)

Q

c)

R

d)

S

35.

Hormonen werken snel en hebben een langdurig effect

a)

Waar

b)

Niet waar

36.

Hormonen worden via het bloed vervoerd

a)

Waar

b)

Niet waar

37.

Op het moment dat je net een maaltijd hebt gegeten en je bloedsuiker omhoog gaat, produceer je

a)

Glucagon

b)

Insuline

c)

Adrenaline

d)

Schildklierhormoon