Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

stevigheid en beweging

Total questions: 30

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Welke is GEEN functie van het skelet?

a)

Het houdt ons recht.

b)

Het beschermt een deel van onze organen.

c)

Het beschermt ons tegen bacteriën.

d)

Het vormt ons lichaam.

2.
hoe heeft het bot in je bovenarm?
a)
bovenarmbeen
b)
opperarmbeen
c)
bovenbeen
3.

welk bot wordt hier getoond?

a)

ellepijp

b)

opperarmbeen

c)

scheenbeen

d)

spaakbeen

4.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 11?
a)
Heiligbeen
b)
Staartbeen
c)
Heupbeen
d)
Bekken
5.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 3?
a)
Heiligbeen
b)
Halswervel
c)
Ribben
d)
Borstbeen
6.

Hoe heet bot nummer 3?

a)

wandbeen

b)

Slaapbeen

c)

Voorhoofdbeen

d)

Jukbeen

7.
Welk soort verbinding zie je op het plaatje? (het is de schouder)
a)
rolgewricht
b)
scharniergewricht
c)
kogelgewricht
d)
naadverbinding
8.
Welk soort verbinding zie je op het plaatje? 
a)
rolgewricht
b)
scharniergewricht
c)
kogelgewricht
9.
De tussenwervelschijf tussen twee wervels is een voorbeeld van een 
a)
naadverbinding
b)
gewrichtsverbinding
c)
kraakbeenverbinding
d)
wervelverbinding
10.
Bij welk type gewricht is beweging in verschillende richtingen mogelijk?
a)
kogelgewricht
b)
schaniergewricht
11.
In de neus vind je kraakbeen
a)
Juist
b)
onjuist
12.
Welke stof zit vooral in kraakbeen?
a)
kalkzout
b)
lijmstof
c)
zoutzuur
d)
brandstof
13.
In de loop van je leven:
a)
komen er minder kalkzouten in je botten
b)
komt er minder lijmstof in je botten
c)
blijft de hoeveelheid kalkzouten en lijmstof gelijk.
d)
komt er meer lijmstof in je botten
14.
Op welk plaatje zie je een naadverbinding?
a)
Plaatje 1
b)
Plaatje 2
c)
Plaatje 3
d)
Geen enkele
15.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 14?
a)
Ellepijp
b)
Sleutelbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
16.

Welke botten beschermen je hersenen?

a)

borstbeen

b)

schedelbeenderen

c)

wervelkolom

17.

Het skelet heeft als functie ...

a)

vorm van het lichaam

b)

zorgt voor beweging

c)

zorgt voor bescherming

d)

zorgt voor afweer

e)

zorgt voor stevigheid

18.

Kijk goed naar de afbeelding. De naamgeving van dierlijke skeletten is vergelijkbaar met die van de mens. Wat is de naam van nummer 20?

a)

Dijbeen

b)

Heupbeen

c)

Scheenbeen

d)

Knieschijf

19.

In dit skelet van een babyhoofd zie je 3 delen in de schedel. omlijnd door "witte lijnen" . In een volwassen schedel is dit weg en een complete schedel geworden. Hoe de verbinding waardoor de schedeldelen aan elkaar zitten?

a)

gewrichten

b)

vergroeiingen

c)

naadverbindngen

d)

kraakbeenverbindingen

20.

De botten van bejaarden bevatten meer ...

a)

kraakbeenweefsel

b)

beenweefsel

c)

kalk

d)

lijmstof

21.

Scharniergewrichten bevinden zich onder andere in ..

a)

hoofd en heup

b)

elleboog en schouder

c)

elleboog en knie

d)

schouder en heup

22.

Om een gewricht goed te laten werken en slijtage aan de botdelen te voorkomen zijn er twee voorzieningen nodig.

a)

gewrichtsbanden en gewrichtskapsels

b)

gewrichtssmeer en gewrichtsbanden

c)

gewrichtssmeer en kraakbeen

d)

kraakbeen en gewrichtskapsels

23.

Je ziet hier de armspieren, de biceps en de triceps, buiger en strekker, beide nodig om een beweging te kunnen maken. Dit mechanisme heet ...

a)

antigonisme

b)

antagonisme

c)

tegenwerking

d)

samenwerking

24.

stof die stevigheid geeft aan botweefsel

a)

kalkzouten

b)

lijmstof

c)

kraakbeen

d)

botweefsel

25.

ruimten tussen de botten van de schedel van een baby

a)

fontanellen

b)

schedelruimtes

c)

fontaancellen

d)

schedelgaten

26.
Wat gebeurt er met een spier als hij zich aanspant?
a)
Wordt kort en dun
b)
Wordt lang en dun
c)
Wordt kort en dik
d)
Wordt lang en dik
27.

Een groep spiervezels noem je?

a)

Spiervezelbundel

b)

Spierbundel

c)

Pezen

d)

Vlies

28.

Wat zijn antagonisten?

a)

Spieren met dezelfde werking

b)

Willekeurige spieren

c)

Onwillekeurige spieren

d)

Spieren met een tegenovergestelde werking

29.

Een voorbeeld van antagonisten zijn de biceps en de triceps

a)

Waar

b)

Niet waar

30.

Waardoor kunnen gewrichten makkelijk langs elkaar bewegen?

a)

Beenverbinding

b)

Gewrichtsbanden

c)

Gewrichtssmeer

d)

Kraakbeen