wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Toets T16 lj2 Rood

Total questions: 37

Worksheet time: 1hrs 25mins

Name
Class
Date
1.

Welk plaatje is een instruerend tekst doel?

a)
b)
c)
d)
2.

Wat is een activerend tekstdoel?

a)

recept

b)

advertentie

3.

Welke tekstsoort horen bij het tekstdoel amuseren?

a)

Gebruiksaanwijzing

b)

Recensie

c)

Verhaal

d)

Recept

4.

Een informatieve tekst bevat feiten.

a)

Waar

b)

Niet waar

5.

Een gedicht is een ...

a)

Overtuigende tekst

b)

Amuserende tekst

c)

Informatieve tekst

6.

Amuseren

a)

roman, strip, kort verhaal,

mop, column

b)

studieboek, folder, receptnieuwsbericht, geboortekaartje

c)

ingezonden brief, sommige columns

d)

gebruiksaanwijzing, instructie

e)

reclamefolder, advertentie

uitnodiging, affiche

7.

Activeren

a)

roman, strip, kort verhaal,

mop, column

b)

studieboek, folder, receptnieuwsbericht, geboortekaartje

c)

ingezonden brief, sommige columns

d)

gebruiksaanwijzing, instructie

e)

reclamefolder, advertentie

uitnodiging, affiche

8.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?

Mijn tante houdt niet van winkelen, maar mijn moeder vindt het heel erg leuk.

a)

tijd

b)

reden

c)

tegenstelling

d)

opsomming

9.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?


Mijn oom is heel erg avontuurlijk. Mijn tante daarentegen is helemaal niet avontuurlijk en wil niet graag nieuwe dingen beleven.

a)

opsomming

b)

volgorde

c)

voorbeeld

d)

tegenstelling

10.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?


Ik heb besloten om vanmiddag naar de kapper te gaan, omdat ik mijn haren nu echt te lang vind .

a)

opsomming

b)

tegenstelling

c)

tijd

d)

reden

11.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Eerst deed ik mijn pyjama aan en vervolgens poetste ik mijn tanden. Daarna stapte ik in bed en uiteindelijk viel ik weer in slaap.

a)

reden

b)

tegenstelling

c)

tijd

d)

voorbeeld

12.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Mijn moeder wil groenten en fruit kopen. Verder brood en daarnaast wat broodbeleg en tot slot een paar toetjes.

a)

tijd

b)

opsomming

c)

voorbeeld

d)

reden

13.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Ten eerste vind ik het heel erg leuk om naar school te gaan en ten tweede leer ik er veel van.

a)

voorbeeld

b)

tijd

c)

reden

d)

opsomming

14.

Welk van de volgende signaalwoorden hoort niet bij een opsommend verband?

a)

bovendien

b)

echter

c)

als laatste

d)

vervolgens

15.
Wat is de hoofdgedachte van een artikel?
a)
Het tekstdoel
b)
De kortst mogelijke samenvatting van de tekst
c)
Het onderwerp
d)
Waarom de schrijver de tekst heeft geschreven
16.
Stel: een tekst heeft drie delen. Eén gaat over paardrennen, het tweede deel gaat over poker en het derde gaat over speelautomaten. Wat zal het onderwerp van deze tekst zijn?
a)
Maneges
b)
Sporten
c)
de Nederlandse overheid
d)
Gokken
17.

Wat is de hoofdgedachte van een tekst?

a)

Het bevat het belangrijkste nieuws van een nieuwsbericht.

b)

Het vat de belangrijkste inhoud van een tekst in enkele zinnen samen.

c)

Het vertelt in één zin wat de tekst over het onderwerp van de tekst zegt.

18.

Teksten over hetzelfde onderwerp en met hetzelfde doel hebben dezelfde hoofdgedachte.

a)

Dat zou kunnen, maar hoeft niet.

b)

Ja, want de teksten willen hetzelfde bereiken.

c)

Nee, elke tekst is verschillend en heeft dus een andere hoofdgedachte.

19.

Wat is de pv: Mijn vader viert zijn verjaardag morgen.

a)

Mijn vader

b)

viert

c)

zijn

d)

morgen

20.

Wat is de pv: Wat is jouw naam?

a)

Wat

b)

is

c)

jouw

d)

naam

21.

Wat is de pv: Ik help jou altijd op vrijdag.

a)

Ik

b)

help

c)

jou

d)

op vrijdag

22.

Wat is de pv: Ik doe altijd mijn best tijdens toetsen.

a)

mijn best

b)

toetsen

c)

doe

d)

Ik

23.

Wat is het wg van de volgende zin?

Gisteren waren we pas om 11 uur aangekleed.

a)

gisteren

b)

we

c)

waren

d)

waren aangekleed

24.

Wat is het wg van de volgende zin?

De opa's lazen hun krantje op een bankje in de zon.

a)

lazen

b)

de opa's

c)

lazen op

d)

lazen in

25.

Wat is het wg in deze zin?

De Mini heeft weer eens pech onderweg gekregen.

a)

heeft

b)

Mini

c)

heeft gekregen

d)

heeft weer eens gekregen

26.

Wat is het wg in deze zin?

Ik schreef de zin niet goed op.

a)

schreef

b)

schreef op

c)

schreef niet op

d)

schreef de zin

27.

Wat is het onderwerp? In de sloot zwemmen mooie vissen.

a)

in de sloot

b)

zwemmen

c)

mooie vissen

d)

in de sloot zwemmen

28.

Wat is het onderwerp? Hij schrijft de brief nog met een pen.

a)

hij

b)

schrijft

c)

de brief

d)

met een pen

29.

Wat is het onderwerp? Heb jij een vis gevangen tijdens het klassenuitje?

a)

klassenuitje

b)

een vis

c)

heb gevangen

d)

jij

30.

Wat is het onderwerp? Op school werken de mannen hard aan een nieuwe kantine.

a)

op school

b)

werken

c)

de mannen

d)

aan de nieuwe kantine

31.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?


Gisteren heeft hij spekpannenkoeken gegeten.

a)

gisteren

b)

hij

c)

spekpannenkoeken

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

32.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?


Die meisjes laat je gewoon met rust!

a)

die meisjes

b)

je

c)

gewoon met rust

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

33.

Wat is het lijdend voorwerp in onderstaande zin?


Mijn neefje van zes wordt altijd door zijn oppas naar hockeytraining gebracht.

a)

mijn neefje van zes

b)

door zijn oppas

c)

naar hockeytraining

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

34.

Wat is het lijdend voorwerp in onderstaande zin?


Mijn oma en opa hebben voor volgende zomer een busreis naar Spanje geboekt.

a)

mijn opa en oma

b)

een busreis

c)

een busreis naar Spanje

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

35.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?


De mentor mocht de geslaagden hun vwo-diploma overhandigen.

a)

de mentor

b)

de geslaagden

c)

hun vwo-diploma

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

36.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?


De mentor mocht de geslaagden hun vwo-diploma overhandigen.

a)

de mentor

b)

de geslaagden

c)

hun vwo-diploma

d)

Er is geen meewerkend voorwerp.

37.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?


Vertelde de hopman zijn scouts vannacht een spookverhaal?

a)

de hopman

b)

zijn scouts

c)

een spookverhaal

d)

Er is geen meewerkend voorwerp.