wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

herhaling parate kennis meetkunde + congruentie

Total questions: 25

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Wie is de drager van [BC]?

a)

[CB]

b)

a

c)

BC

d)

ander antwoord

2.
Duid een voorbeeld van de lengte van een lijnstuk aan.
a)
TD
b)
[TD
c)
|TD|
d)
[TD]
3.

Wat is een correcte notatie voor: "een halfrechte met grenspunt X"?

a)

[XE]

b)

[EX

c)

XE

d)

[XE

4.

De som van de hoeken van een driehoek is...

a)

150 graden

b)

160 graden

c)

170 graden

d)

180 graden

5.
Als drie punten op eenzelfde rechte liggen, zijn ze
a)
collectief
b)
concurrent
c)
consequent
d)
collineair
6.

Welke driehoek is hier afgebeeld?

a)

gelijkzijdige driehoek

b)

gelijkbenige driehoek

c)

ongelijkbenige driehoek

7.

welke soort driehoek is hier afgebeeld?

a)

gelijkzijdige driehoek

b)

gelijkbenige driehoek

c)

ongelijkbenige driehoek

8.

Een trapezium is een ...

a)

ruimtefiguur met 2 paar evenwijdige zijden.

b)

vlakke figuur met 2 paar evenwijdige zijden.

c)

vlakke figuur met minstens 1 paar evenwijdige zijden.

d)

ruimtefiguur met minstens 1 paar evenwijdige zijden.

9.

In een parallellogram

a)

zijn de diagonalen even lang.

b)

delen de diagonalen elkaar middendoor.

c)

zijn de vier hoeken even groot.

d)

zijn de vier zijden even lang.

10.

In een parallellogram

a)

zijn de aanliggende hoeken even groot.

b)

zijn de overstaande hoeken even groot.

c)

zijn de vier hoeken even groot.

d)

is de som van de hoeken 180°

11.

In een rechthoek

a)

zijn de vier zijden even lang.

b)

zijn de diagonalen even lang en staan ze loodrecht op elkaar.

c)

zijn de diagonalen even lang en delen ze elkaar middendoor.

d)

delen de diagonalen elkaar middendoor en staan loodrecht op elkaar.

12.

In een ruit

a)

zijn de hoeken even groot.

b)

zijn de diagonalen even lang en delen elkaar middendoor.

c)

zijn de diagonalen even lang en staan ze loodrecht op elkaar.

d)

staan de diagonalen loodrecht op elkaar en delen ze elkaar middendoor.

13.

Elke ruit is ook een rechthoek.

a)

Waar

b)

Niet waar

14.

Elk vierkant is ook een trapezium.

a)

Waar

b)

Niet waar

15.

De rode rechte is een

a)

zwaartelijn

b)

hoogtelijn

c)

middelloodlijn

d)

bissectrice

16.

De rode rechte is een

a)

zwaartelijn

b)

hoogtelijn

c)

middelloodlijn

d)

bissectrice

17.

Een zwaartelijn in een driehoek is de rechte die

a)

door een hoek gaat en die in twee even grote hoeken verdeelt.

b)

door een hoek en het midden van overstaande zijde gaat.

c)

door een hoek gaat en loodrecht staat op de drager van de overstaande zijde.

d)

loodrecht en in het midden van een zijde staat

18.

Als een rechte door een hoek gaat en en de bijhorende hoek in twee even grote hoeken verdeelt is dat een

a)

zwaartelijn

b)

hoogtelijn

c)

middelloodliljn

d)

bissectrice

19.

Een hoogtelijn in een driehoek is de rechte die

a)

door een hoek gaat en die in twee even grote hoeken verdeelt.

b)

door een hoek en het midden van overstaande zijde gaat.

c)

door een hoek gaat en loodrecht staat op de drager van de overstaande zijde.

d)

loodrecht en in het midden van een zijde staat

20.

Welk congruentiekenmerk zien we hier?

a)

HZH

b)

ZHH

c)

ZHZ

d)

ZZ90°

21.

Welk congruentiekenmerk herken je?

a)

ZHZ

b)

ZHH

c)

HZH

22.

Welk congruentiekenmerk herken je?

a)

ZHZ

b)

ZZZ

c)

HZH

23.

Welk van onderstaande antwoorden is GEEN congruentiekenmerk?

a)

HZH

b)

ZHZ

c)

ZZH

d)

ZZZ

24.

Vink aan waarmee je kan bewijzen dat driehoek ... congruent is met driehoek ...

a)

hoek O1=hoek O2hoek\ O_1=hoek\ O_2

b)

DC=AB\left|DC\right|=\left|AB\right|

c)

hoek B = hoek Dhoek\ B\ =\ hoek\ D

d)

OD=OA\left|OD\right|=\left|OA\right|

e)

OB=OC\left|OB\right|=\left|OC\right|

25.

Duid het juiste congruentiekenmerk aan.

a)

ZZZ

b)

HZH

c)

ZHZ

d)

90°SR