wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Leesvaardigheid T7

Total questions: 33

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Signaalwoorden zorgen ervoor dat twee stukken tekst met elkaar worden verbonden.

Door signaalwoorden heeft een tekst:

a)

Tekstverbanden

b)

Alinea's

2.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?

Mijn tante houdt niet van winkelen, maar mijn moeder vindt het heel erg leuk.

a)

tijd

b)

reden

c)

tegenstelling

d)

opsomming

3.

Ik zit op school....... ik wil graag overgaan

a)

of

b)

want

c)

hoewel

d)

maar

4.

Ik krijg een mooi cadeau, ........ ik blijf zitten

a)

want

b)

tenzij

c)

mits

d)

zodat

5.

ik heb goed mijn best gedaan, ..... ik ga vast over

a)

of

b)

maar

c)

want

d)

dus

6.

Ik wil graag overgaan, ...... ik heb geen zin om mijn best te doen

a)

want

b)

dus

c)

maar

d)

en

7.

Ik vind signaalwoorden leuk, ...... je kunt er leuke zinnen mee maken

a)

maar

b)

hoewel

c)

want

d)

of

8.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?


Ik heb besloten om vanmiddag naar de kapper te gaan, omdat ik mijn haren nu echt te lang vind .

a)

opsomming

b)

tegenstelling

c)

tijd

d)

reden

9.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Eerst deed ik mijn pyjama aan en vervolgens poetste ik mijn tanden. Daarna stapte ik in bed en uiteindelijk viel ik weer in slaap.

a)

reden

b)

tegenstelling

c)

tijd

d)

voorbeeld

10.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?


Ik zou graag Spaans willen leren spreken, omdat ik vaak naar landen ga waar ze deze taal spreken.

a)

tegenstelling

b)

volgorde

c)

reden

d)

tijd

11.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Mijn moeder wil groenten en fruit kopen. Verder brood en daarnaast wat broodbeleg en tot slot een paar toetjes.

a)

tijd

b)

opsomming

c)

voorbeeld

d)

reden

12.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Ten eerste vind ik het heel erg leuk om naar school te gaan en ten tweede leer ik er veel van.

a)

voorbeeld

b)

tijd

c)

reden

d)

opsomming

13.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?


De sportdag was goed georganiseerd. Zo werd er genoeg water uitgedeeld en we hadden genoeg rustmomenten.

a)

opsomming

b)

reden

c)

tegenstelling

d)

voorbeeld

14.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband opsomming?

a)

ook

b)

eerst

c)

maar

d)

doordat

15.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband tegenstelling?

a)

maar

b)

dan

c)

tevens

d)

als

16.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband voorbeeld?

a)

omdat

b)

toch

c)

bovendien

d)

zo

17.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband (tijds)volgorde?

a)

doordat

b)

eerst

c)

en

d)

bijvoorbeeld

18.

'Ik vind je aardig, maar ik kan je niet helpen'

a)

'Maar' geeft een vergelijking aan

b)

'Maar' geeft een tegenstelling aan

19.

Voorbeelden van signaalwoorden zijn:

a)

Maar, en, toch, daarna, ten slotte.

b)

Dat, doen, daar, het, om, uit.

c)

Juist, deze, hij, die.

d)

Geen van allen.

20.

Hoewel ik genoeg geld heb, koop ik die telefoon toch niet.

a)

Dit is een vergelijking

b)

Dit is een tegenstelling

21.

De schoolkrant is een..

a)

Informatieve tekst

b)

Amuserende tekst

c)

Overtuigende tekst

22.

Een gedicht is een ...

a)

Overtuigende tekst

b)

Amuserende tekst

c)

Informatieve tekst

23.

Welke tekstsoort wil jou informeren?

a)

Krantenartikel

b)

Strip

c)

Flyer chirofuif

24.

Wat is meestal het doel van de auteur van een nieuwsbericht?

a)

overtuigen

b)

informeren

c)

instrueren

d)

amuseren

25.

De schrijver geeft zijn mening in een

a)

amuserende tekst

b)

activerende tekst

c)

informatieve tekst

d)

overtuigende tekst

26.

Geef een voorbeeld van een tekst die als doel heeft:

amuseren.

a)

nieuwsbericht

b)

uitnodiging

c)

stripverhaal

d)

recept

27.

Welk tekstdoel hoort bij het plaatje?

a)

Instrueren

b)

Informeren

c)

Betogen

d)

Activeren

28.

Bijzaken zijn minder belangrijke tekstfragmenten.

a)

Juist

b)

Onjuist

29.

Waar vind je kernzinnen vaak?

a)

Geen idee

b)

De eerste, tweede of laatste zin van een alinea

c)

De eerste of de laatste zin van een alinea

d)

Geen van alle antwoorden

30.

Wat staat er voor of na de kernzin in een alinea?

a)

Onzin

b)

Uitleg of voorbeelden

c)

Feiten en nog meer kernzinnen

31.

Wat heb je gemaakt als alle kernzinnen achter/onder elkaar staan?

a)

Rommel

b)

Veel regels die niets met elkaar te maken hebben

c)

Een samenvatting

32.

Wat is de kernzin?

Er zijn meerdere redenen om niet op vakantie te gaan. De belangrijkste reden om thuis te blijven is geldgebrek. Het vakantiegeld wordt dan liever anders besteed.

a)

1e zin

b)

2e zin

c)

3e zin

33.

Wat is de kernzin?

Morgen start ik met huiswerkcontrole. De eerste reden is dat het huiswerk slecht wordt gemaakt de laatste tijd. Een andere reden is dat velen van jullie er slecht voor staan.

a)

1e zin

b)

2e zin

c)

3e zin