wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Quiz - Brandstoffen &Energie

Total questions: 99

Worksheet time: 55mins

Name
Class
Date
1.

Kies de juiste voorwaarden voor een verbranding.

a)

Zuurstof

b)

Koolstofdioxide

c)

Ontbandingstemperatuur

d)

Bouwstof

e)

Brandstof

2.

Kies de juiste voorwaarde van een verbranding die weg is gehaald.

Op een kampvuur gaat het vuur uit, omdat er geen hout meer bij wordt gedaan.

a)

brandstof

b)

bouwstof

c)

koolstofdioxide

d)

zuurstof

e)

ontbrandingstemperatuur

3.

Kies de juiste voorwaarde van een verbranding die weg is gehaald.

Op een brandende auto wordt een deken van schuim gespoten.

a)

brandstof

b)

bouwstof

c)

koolstofdioxide

d)

zuurstof

e)

ontbrandingstemperatuur

4.

Kies de juiste voorwaarde van een verbranding die weg is gehaald.

Op een brandend stukje papier wordt een glas water gegooid.

a)

brandstof

b)

bouwstof

c)

koolstofdioxide

d)

zuurstof

e)

ontbrandingstemperatuur

5.

Kies de brandstof die in een auto gebruikt kan worden.

a)

benzine

b)

diesel

c)

glucose

d)

hout

e)

kaarsvet

6.

Kies de stoffen die ontstaan bij een (volledige) verbranding.

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide

c)

water(damp)

d)

brandstof

e)

lage temperatuur

7.

Typ het antwoord dat op plek 1 moet komen te staan.

(1) + zuurstof --> water + koolstofdioxide + energie

(a)  

8.

Typ het antwoord dat op plek 2 moet komen te staan.

brandstof + (2) --> water + koolstofdioxide + energie

(a)  

9.

Typ het antwoord dat op plek 3 moet komen te staan.

brandstof + zuurstof --> (3) + koolstofdioxide + energie

(a)  

10.

Typ het antwoord dat op plek 4 moet komen te staan.

brandstof + zuurstof --> water + (4) + energie

(a)  

11.

Kies de juiste scheikundige formule van zuurstof.

a)

CO2CO_2  

b)

O2O_2  

c)

CO2CO^2  

d)

O2O^2  

12.

Kies de juiste scheikundige formule van koolstofdioxide.

a)

CO2CO_2  

b)

O2O_2  

c)

CO2CO^2  

d)

O2O^2  

13.

Kies de juiste scheikundige formule van water.

a)

H2OH_2O  

b)

HO2HO_2  

c)

H2OH^2O  

d)

HO2HO^2  

14.

Kies de juiste scheikundige formule van stikstof.

a)

N2N_2  

b)

N2ON_2O  

c)

N2ON^2O  

d)

N2N^2  

15.

Bij een verbranding ontstaan de stoffen koolstofdioxide en water(damp).

Typ wat er nog méér ontstaat.

(a)  

16.

Typ waar zuurstof in de lucht vandaan komt.

(a)  

17.

Klik de elementen aan die planten nodig hebben voor fotosynthese.

a)

waterdamp

b)

koolstofdioxide

c)

zonlicht

d)

glucose

e)

zuurstof

18.

Klik de elementen aan die ontstaan door fotosynthese in planten.

a)

waterdamp

b)

koolstofdioxide

c)

zonlicht

d)

glucose

e)

zuurstof

19.

Typ het antwoord dat op plek 1 moet komen te staan.

(1) + koolstofdioxide --> glucose + (2)

(a)  

20.

Typ het antwoord dat op plek 2 moet komen te staan.

(1) + koolstofdioxide --> glucose + (2)

(a)  

21.

Typ het element dat in de volgende formule, boven de pijl, mist.

waterdamp + koolstofdioxide --> glucose + zuurstof

(a)  

22.

Fotosynthese vindt plaats in planten.

Typ het onderdeel van de cel van planten waarin fotosynthese plaatsvindt.

(a)  

23.

Planten doen net als wij ook aan verbranding.

a)

juist

b)

onjuist

24.

Planten gebruiken glucose voor verbranding.

a)

juist

b)

onjuist

25.

Planten maken overdag géén glucose, 's nachts wel.

a)

juist

b)

onjuist

26.

Planten gebruiken 's nachts glucose voor verbranding, maar maken 's nachts géén glucose.

a)

juist

b)

onjuist

27.

Klik aan wanneer groene planten alleen glucose verbranden, maar geen glucose maken.

a)

's nachts

b)

overdag

28.

Klik aan wanneer groene planten zowel glucose maken als verbranden.

a)

's nachts

b)

overdag

29.

Klik het onderdeel van de plantaardige cel aan dat wordt aangegeven met nummer 1.

a)

Celmembraan

b)

Celwand

c)

Cytoplasma

d)

Vacuole

e)

Celkern

30.

Klik het onderdeel van de plantaardige cel aan dat wordt aangegeven met nummer 2.

a)

Celmembraan

b)

Celwand

c)

Cytoplasma

d)

Vacuole

e)

Celkern

31.

Klik het onderdeel van de plantaardige cel aan dat wordt aangegeven met nummer 3.

a)

Celmembraan

b)

Bladgroenkorrel

c)

Cytoplasma

d)

Vacuole

e)

Celkern

32.

Klik het onderdeel van de plantaardige cel aan dat wordt aangegeven met nummer 4.

a)

Celmembraan

b)

Bladgroenkorrel

c)

Cytoplasma

d)

Vacuole

e)

Celkern

33.

Klik het onderdeel van de plantaardige cel aan dat wordt aangegeven met nummer 5.

a)

Celmembraan

b)

Bladgroenkorrel

c)

Cytoplasma

d)

Vacuole

e)

Celkern

34.

Klik het onderdeel van de plantaardige cel aan dat wordt aangegeven met nummer 6.

a)

Celmembraan

b)

Bladgroenkorrel

c)

Cytoplasma

d)

Vacuole

e)

Celkern

35.

Typ de naam van het onderdeel dat aangegeven wordt met nummer 1.

(a)  

36.

Typ de naam van het onderdeel dat aangegeven wordt met nummer 2.

(a)  

37.

Typ de naam van het onderdeel dat aangegeven wordt met nummer 3.

(a)  

38.

Typ de naam van het onderdeel dat aangegeven wordt met nummer 4.

(a)  

39.

Typ de naam van het onderdeel dat aangegeven wordt met nummer 5.

(a)  

40.

Typ de naam van het onderdeel dat aangegeven wordt met nummer 6.

(a)  

41.

Typ een ander woord voor een aantoonstof.

(a)  

42.

Typ de indicator voor zetmeel.

(a)  

43.

Typ de indicator voor koolstofdioxide.

(a)  

44.

Klik de indicator aan voor zetmeel.

a)

jodium

b)

rodekoolsap

c)

helder kalkwater

d)

pipet

e)

glucose

45.

Klik de indicator aan voor koolstofdioxide.

a)

jodium

b)

rodekoolsap

c)

helder kalkwater

d)

pipet

e)

glucose

46.

... is de kracht die alles in ons universum in beweging houdt.



(a)  

47.

Klik de juiste energievorm aan.

a)

bewegingsenergie

b)

magnetische energie

c)

chemische energie

d)

warmte-energie

e)

stralingsenergie

48.

Klik de juiste energievorm aan.

a)

bewegingsenergie

b)

magnetische energie

c)

chemische energie

d)

warmte-energie

e)

stralingsenergie

49.

Klik de juiste energievorm aan.

a)

bewegingsenergie

b)

magnetische energie

c)

chemische energie

d)

warmte-energie

e)

stralingsenergie

50.

Klik de juiste energievorm aan.

a)

bewegingsenergie

b)

lichtenergie

c)

chemische energie

d)

warmte-energie

e)

stralingsenergie

51.

Klik de juiste energievorm aan.

a)

elektrische energie

b)

lichtenergie

c)

chemische energie

d)

warmte-energie

e)

stralingsenergie

52.

Klik de juiste energievorm aan.

a)

elektrische energie

b)

lichtenergie

c)

chemische energie

d)

warmte-energie

e)

geluidenergie

53.

Klik de juiste energievorm aan.

a)

elektrische energie

b)

lichtenergie

c)

chemische energie

d)

warmte-energie

e)

geluidenergie

54.

Op de afbeelding is een schoepenrad te zien.

Typ de juiste energievorm die erbij hoort.

(a)  

55.

Op de afbeelding is een windmolen te zien.

Typ de juiste energievorm die erbij hoort.

(a)  

56.

Op de afbeelding is een dynamo te zien.

Typ de juiste energievorm die erbij hoort.

(a)  

57.

Op de afbeelding is een lampje te zien dat op batterijen werkt.

Typ de juiste energievorm die erbij hoort.

(a)  

58.

Op de afbeelding is een lampje te zien.

Typ de juiste energievorm die erbij hoort.

(a)  

59.

Kies de energievormen die de zon bezit.

a)

warmte-energie

b)

stralingsenergie

c)

lichtenergie

d)

chemische energie

e)

bewegingsenergie

60.

Bij een energieomzetting worden vormen van energie in elkaar omgezet. Daarbij ontstaat bij iedere omzetting één ding altijd hetzelfde.

Typ deze vorm van energie.

(a)  

61.

Kies de juiste omzetting van energie.

a)

elektrische energie --> warmte + stralingsenergie + licht

b)

lichtenergie + warmte --> elektrische energie + stralingsnergie

c)

lichtenergie + stralingsenergie --> warmte + elektrische energie

d)

elektrische energie + warmte --> stralingsenergie + licht

62.

Kies de juiste omzetting van energie.

a)

chemische energie --> warmte + stralingsenergie + licht

b)

lichtenergie --> warmte + stralingsenergie

c)

warmte-energie --> lichtenergie + stralingsenergie

d)

elektrische energie --> warmte + stralingsenergie + licht

63.

Kies de juiste omzetting van energie.

a)

beweginsenergie --> warmte + stralingsenergie + licht

b)

lichtenergie + warmte --> elektrische energie + stralingsnergie

c)

lichtenergie + stralingsenergie --> warmte + elektrische energie

d)

elektrische energie + warmte --> stralingsenergie + licht

64.

Welke van de volgende gassen bevinden zich in de lucht?

a)

zuurstof

b)

stikstof

c)

koolstofdioxide

d)

waterstof

e)

edelgas

65.

Op de afbeelding is een deel van het ademhalingsstelsel te zien. Welk onderdeel wordt aangegeven met nummer 1?

(a)  

66.

Op de afbeelding is een deel van het ademhalingsstelsel te zien. Welk onderdeel wordt aangegeven met nummer 2?

(a)  

67.

Op de afbeelding is een deel van het ademhalingsstelsel te zien. Welk onderdeel wordt aangegeven met nummer 3?

(a)  

68.

Op de afbeelding is een deel van het ademhalingsstelsel te zien. Welk onderdeel wordt aangegeven met nummer 4?

(a)  

69.

Op de afbeelding is een deel van het ademhalingsstelsel te zien. Welk onderdeel wordt aangegeven met nummer 5?

(a)  

70.

Op de afbeelding is een deel van het ademhalingsstelsel te zien. Welk onderdeel wordt aangegeven met nummer 6?

(a)  

71.

Op de afbeelding is een deel van het ademhalingsstelsel te zien. Welk onderdeel wordt aangegeven met nummer 7?

(a)  

72.

Op de afbeelding wordt een belangrijk gedeelte van het ademhalingsstelsel weergegeven. Hoe heet dit gedeelte?

(a)  

73.

Wat geven de rode strepen aan op de afbeelding?

a)

bloedvaten

b)

longvaten

c)

longhaartjes

d)

bronchie

74.

Typ de naam van onderdeel 1.

(a)  

75.

Typ de naam van onderdeel 2.

(a)  

76.

Typ de naam van onderdeel 3.

(a)  

77.

Typ de naam van onderdeel 4.

(a)  

78.

Typ de naam van onderdeel 5.

(a)  

79.

Typ de naam van onderdeel 6.

(a)  

80.

Typ de naam van onderdeel 7.

(a)  

81.

Typ de naam van onderdeel 8.

(a)  

82.

Typ de naam van onderdeel 9.

(a)  

83.

Typ de naam van onderdeel 10.

(a)  

84.

Typ de naam van onderdeel 11.

(a)  

85.

Typ de naam van onderdeel 12.

(a)  

86.

Typ de naam van onderdeel 13.

(a)  

87.

Hier wordt glucose in je lichaam opgenomen.

a)

dunne darm

b)

dikke darm

c)

endeldarm

d)

twaalfvingerige darm

e)

slokdarm

88.

Hier wordt glucose verder verwerkt en verdeelt over je lichaam.

a)

maag

b)

lever

c)

galblaas

d)

alvleesklier

e)

milt

89.

Van cellen naar longen wordt ... vervoerd.

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide

90.

Van longen naar cellen wordt ... vervoerd.

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide

91.

Glucose wordt via de wand van de dunne darm in het lichaam opgenomen.

Kies de juiste reden waarom dit hier gebeurt.

a)

groot oppervlak

b)

peristaltische bewegingen

c)

slokdarm het anders opeet

d)

anders explodeert je brein

92.

Typ het antwoord dat op plek 5 moet komen te staan.

brandstof + zuurstof --> water + koolstofdioxide + (5)

(a)  

93.

Kies de juiste bewering(en) over een warmte-isolator.

a)

geleid warmte goed

b)

houdt warmte vast

c)

geleid warmte slecht

d)

houdt warmte niet vast

94.

Kies de juiste bewering(en) over een warmte-geleider.

a)

geleid warmte goed

b)

houdt warmte vast

c)

geleid warmte slecht

d)

houdt warmte niet vast

95.

Goud

a)

warmte-isolator

b)

warmtegeleider

96.

Diamant

a)

warmte-isolator

b)

warmtegeleider

97.

Aluminium

a)

warmte-isolator

b)

warmtegeleider

98.

Glaswol

a)

warmte-isolator

b)

warmtegeleider

99.

Schuimwol

a)

warmte-isolator

b)

warmtegeleider