Free Printable Worksheets
Font size
More settings
1. Ik (a) een auto. (hebben)
2. Hij (a) de leraar. (zijn)
3. Jij (a) uit Oekraïne (komen)
4. Waar (a) je? (werken)
5. Zij (a) in Engeland. (werken: 1 persoon)
6. Wij (a) boeken. (hebben)
7. Jullie (a) een kopje koffie. (kopen)
8. (a) jij Nederlands? (spreken)
9. (a) jij ook naar school? (gaan)
10. Hij (a) in Amsterdam. (wonen)
View all
15 questions
Herhaling coronaleerstof
Worksheet
•
11th Grade
13 questions
Spelling week 1 2F
1st - 10th Grade
Lijdend en meewerkend voorwerp
University
12 questions
Scheidbare werkwoorden
8th - 12th Grade
10 questions
Test werkwoorden
2nd Grade - University
werkwoordspelling -d, -dt, -de(n), dde(n), -te(n), -tte(n)
7th Grade - University
Vaste voorzetsels oefenen
12th Grade
Futur