wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3 basis 3.1 en 3.2

Total questions: 19

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een saldo?

a)

het bedrag dat je van je bankrekening afhaalt

b)

het bedrag dat je op je rekening stort

c)

het bedrag dat op je bankrekening staat

d)

weet ik niet

2.

wat zijn de drie geldfuncties?

a)

spaar, oppot en rekenmiddel

b)

reken, ruil en spaarmiddel

c)

reken, ruil en betaalmiddel

3.

Je ruilt een product tegen een ander product (zonder geld te gebruiken)

a)

indirecte ruil

b)

directe ruil

4.

tastbaar geld in de vorm van munten en bankbiljetten die bij bedrijven, personen en instellingen in gebruik zijn

a)

chartaal geld

b)

giraal geld

5.

wat zijn de juiste geldfuncties?

a)

rekenmiddel

b)

betaalmiddel

c)

spaarmiddel

d)

ruilmiddel

e)

uitgeefmiddel

6.

Drie soorten geldfuncties zijn....

a)

Rekenmiddel, ruilmiddel en spaarmiddel

b)

Ruilmiddel, rekenmiddel en uitgeefmiddel

7.

geld op de bank is een vorm van...........

a)

chartaal geld

b)

giraal geld

8.

voor aankopen met een creditcard moet je achttien jaar of ouder zijn

a)

waar

b)

niet waar

9.

De drie soorten spaarmotieven zijn:

a)

Sparen voor rente, voor een bepaald doel, voor je ouders

b)

Sparen voor rente, voor een bepaald doel en uit voorzorg

10.

Als iemand spaart voor een scooter dan spaart hij

a)

uit voorzorg

b)

voor een doel

c)

voor rente

11.

Als iemand spaart voor een wasmachine die misschien in de toekomst kapot gaat, dan spaar je uit...

a)

Uit voorzorg

b)

voor de rente

c)

voor een bepaald doel

12.

Het geld waarmee de banken leningen verstrekken aan de leners komt van...

a)

Het spaargeld van spaarders

b)

eigen geld van de bank

13.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving: " Je kunt het gebruiken als ruilmiddel, rekenmiddel of spaarmiddel.

a)

Geldfuncties

b)

Consumptief krediet

c)

Kredietkosten

d)

Leenmotieven

e)

Spaarmotieven

14.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving: "Redenen om te sparen. Je kunt sparen voor een doel, uit voorzorg of voor de rente."

a)

Geldfuncties

b)

Consumptief krediet

c)

Kredietkosten

d)

Leenmotieven

e)

Spaarmotieven

15.

Welk spaarmotief herken je? Jop heeft twee miljoen euro op zijn spaarrekening staan. Hij krijgt elk jaar een fors bedrag van de bank.

a)

Sparen voor de rente.

b)

Sparen voor een bepaald doel.

c)

Sparen uit voorzorg.

16.

Welk spaarmotief herken je? Justin heeft een potje geld voor als de wasmachine een keer kapot gaat.

a)

Sparen voor de rente.

b)

Sparen voor een bepaald doel.

c)

Sparen uit voorzorg.

17.

Ik ruil een ei voor geld. Van dat geld koop ik een appel.

a)

Directe ruil

b)

Indirecte ruil

18.

snel snel snel


Sparen = een deel van je inkomen uitgeven

a)

waar

b)

niet waar

19.

de 3 geldfuncties zijn:

a)

ruilmiddel, betaalmiddel, spaarmiddel

b)

ruilmiddel, rekenmiddel, spaarmiddel

c)

rente, voorzorg, doel

d)

huishoudelijke uitgaven, incidentele uitgaven, vaste lasten