Font size
Worksheets17-5-2022 Wiederholung Lektion 4-5-6
Total questions: 40
Worksheet time: 42mins
Vertaal het volgende woord van het Duits naar het Nederlands.
günstig
(a)
Vertaal het volgende woord.
die Kirche
(a)
Kies het juiste schuingedrukte woord.
Meine Eltern wollen aufs Land ziehen. Das finde ich total blöd/ziemlich.
(a)
Vul het juiste schuingedrukte woord in.
Ich bin ziemlich/zwischen böse auf sie.
(a)
Vertaal het volgende woord.
das Gebäude
(a)
Vertaal het volgende woord.
de hal
(a)
Gebruik het juiste schuingedrukte woord.
Wass soll ich tun? Hat jemand/klar einen Tipp für mich?
(a)
Welke trappen staan in de goede volgorde?
overtreffende, vergrotende, stellende
stellende,
vergrotende,
overtreffende
vergrotende,
overtreffende,
stellende
stellende,
overtreffende,
vergrotende
Maak de vergelijking af.
breit, breiter, ........................
am breiterst
am breitsten
am breitesten
am breitesteten
Maak de vergelijking af.
gern, ........................., .............................
gerner, gernesten
lieber, gerner
lieber, am liebsten
am liebsten, am gernsten
Welk woord gebruik je in het Duits bij de overtreffende trap om iets met elkaar te vergelijken?
am
als
wie
Maak af.
warm, .................., .....................
wärmer, am wärmsten
warmer, warmste
wärmest, am wärmsten
Maak af.
viel, ................, ....................
vieler, am vielsten
mehr, am vielsten
vielst, am vielsten
mehr, am meisten
Vul het juiste woord in. Maak gebruik van het woord lang.
Der Rhein ist ..................... gestern.
langer als
länger als
länger wie
langer wie
Vul het juiste woord in. Maak gebruik van het woord groß.
Deutschland ist ........................... Belgien
großer wie
größer als
Vul het juiste woord in. Maak gebruik van het woord modern - alt. (Gebruik een spatie.)
Laras Haus ist .................. Pauls Haus. Idas Haus ist am .........................
(a)
Vertaal het volgende woord.
die Sehenswürdigkeit
(a)
Vertaal het volgende woord.
ziemlich
(a)
persoonlijke voornaamwoorden in de derde naamval.
Welk rijtje klopt helemaal?
mir, dir, ihm, ihr, ihm, uns, euch, ihnen, Ihnen
mich, dir, ihm, ihr, es, uns, euch, ihnen, Ihnen
Welk rijtje klopt met de voorzetsels in de derde naamval?
aus, bei, mit, nach, seit, von, gegen
aus, bei, mit, nach, seit, von, zu
Benoem de persoonlijke voornaamwoorden in de eerste naamval? Gebruik een komma en dan spatie tussen de woorden.
(a)
Als ik het antwoord wil weten wat het lijdend voorwerp is dan kan ik de volgende vraag stellen?
(a)
Als ik het antwoord wil weten wat het meewerkend voorwerp is dan kan ik de volgende vraag stellen?
aan wie/voor wie
wie/wat
Vertaal de volgende zin in het Duits.
We wonen in een woonwijk met veel groen.
(a)
Vertaal de volgende zin in het Duits.
Ons huis heeft een garage en ook een kelder.
(a)
Vertaal de volgende zin in het Duits.
Het appartement is op de eerste verdieping.
(a)
Vertaal de volgende zin in het Duits.
Ik woon nu in een dorp.
(a)
Vertaal de volgende zin in het Duits.
Ik heb een eigen kamer.
(a)
Vertaal het volgende woord in het Duits.
de zolder
(a)
Gebruik de juiste voorzetsel.
Du kommst nach (a) (mij) an die Reihe.
Gebruikt de juiste voorzetsel.
Diese Wohnung ist perfekt für (a) (hen)
Gebruikt de juiste voorzetsel.
Sie ziehen ohne (a) (jou) in das neue Haus.
Gebruikt de juiste voorzetsel.
Wir kommen zu (a) (jullie)
Gebruik de juiste uitgangen.
Mein.... Mutter kauft ein...... neue Lampe.
(a)
Gebruik de juiste uitgangen.
Ich wohne mit mein (a) Familie in einem Haus mit Garten.
Gebruik de juiste uitgangen.
In der Küch gibt es ein...... Tisch(m), ein........ Kühlschrank (m) und ein....... Lampe (v)
(a)
Gebruik de juiste uitgangen.
Wie gefällt dir unser Haus nach d (a) Renovierung?
Vertaal de volgende zin in het Duits.
Ik woon liever in de stad dan op het platteland.
(a)
Wat vond je van deze oefening?
Deze oefening is voor mij nuttig. Zo weet ik wat ik wel ken en nog niet ken.
