Font size
WorksheetsD4L34 Het voltooid deelwoord
Total questions: 41
Worksheet time: 21mins
Een gebeurtenis dat voltooid is, is een gebeurtenis dat...
voorbij is
nog moet gebeuren
bezig is
Ik heb in het weekend veel ... (inf. = voetballen)
(a)
Waar of niet waar? Een voltooid deelwoord heeft altijd hulp nodig van een ander werkwoord.
waar
niet waar
Op het trouwfeest heb ik veel ... (inf. = dansen)
(a)
Gisteren ben ik naar de cinema ... (inf. = zijn)
gegaan
geweest
Zorg dat er een voltooid deelwoord staat in volgende zin: "Ik feest nooit."
(a)
Wat is het voltooid deelwoord van leren?
geleerd
geleert
"Ik ga naar de winkel." Voeg een voltooid deelwoord toe. Wat is juist?
Ik ging naar de winkel.
Ik zal naar de winkel gaan.
Ik ben naar de winkel geweest.
Ik ben naar de winkel gegaan.
Het voltooid deelwoord van kijken is...
gekeken
gekijken
gekijkt
Ik heb de vaas op de tafel ... (inf. = zetten)
(a)
Met mijn gekke oom heb ik al veel ... (inf. = lachen)
(a)
Wat is het voltooid deelwoord van 'bakken'?
gebak
gebaken
gebakt
gebakken
Wat is het voltooid deelwoord van 'schrijven'?
geschrijft
geschrijfd
geschreven
Welke zin staat in de voltooide tijd?
Ik heb de tafel gedekt.
Ik dekte de tafel.
Ik dek de tafel.
Welke zin staat in de voltooide tijd?
Gisteren zag hij zijn vriend weer.
Hij heeft zijn vriend weer gezien.
Hij ziet zijn vriend vanavond.
Welk werkwoord is een 'sterk' werkwoord?
bellen
wassen
vinden
Welk werkwoord is een 'zwak' werkwoord?
koken
verkopen
kijken
'We hebben de laatste vraag van deze test gemaakt.'
De vliegtuigmotor werd (saboteren).
(a)
Heb je het hem (vragen)?
(a)
Omwille van haar stem werd ze door iedereen (bewonderen).
(a)
Nee, mijn bankkaart is (blokkeren).
(a)
Jij hebt me echt (steunen) in die moeilijke periode.
(a)
Heb je wel (nadenken)?
(a)
Wat is er gisteren (gebeuren)?
(a)
Wanneer ben je naar school (vertrekken)?
(a)
Wat heb je vandaag (plannen)?
(a)
Vader heeft een boom in de tuin (planten).
(a)
Hij heeft de overvaller in het ziekenhuis (meppen).
(a)
Adam heeft toen de bal in het doel (schoppen).
(a)
Mama heeft Arnes teddybeer naast zijn hoofdkussen (leggen).
(a)
Heeft Storm alweer een wedstrijd (verliezen)?
(a)
Milan heeft zijn liefje gisteren pas voor het eerst (kussen).
(a)
Ze zijn vorige jaar naar Italië (verhuizen).
(a)
De wiskundejuf heeft gisterenavond naar mijn ouders (bellen).
(a)
Hij heeft een mooie kast in elkaar (timmeren).
(a)
Wat heb jij (maken)?
(a)
Hebben jullie snoep (kopen)?
(a)
