Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grammatica zinsdelen brugklas

Total questions: 38

Worksheet time: 1hrs 1mins

Name
Class
Date
1.

Welke verdeling in zinsdelen is juist?

a)

In het nieuwe nummer - van Discovery Magazine - heeft - de redacteur - een artikel - over vliegangst - opgenomen.

b)

In - het nieuwe nummer van Discovery Magazine - heeft - de redacteur een artikel over vliegangst - opgenomen.

c)

In het nieuwe nummer van Discovery Magazine - heeft - de redacteur - een artikel over vliegangst - opgenomen.

2.

Klik alle zinsdelen aan.

a)

Voorzetsel

b)

Voorzetsel voorwerp

c)

Lijdend voorwerp

d)

Bijwoordelijke bepaling

e)

Bijvoeglijk naamwoord

3.

Welk zinsdeel is onderstreept?

'Via social media worden geruchten snel verspreid aan leerlingen'.

a)

Werkwoordelijk gezegde

b)

Onderwerp

c)

Lijdend voorwerp

d)

Meewerkend voorwerp

4.
Welke vraag moet je stellen om het lijdend voorwerp te vinden?
a)
Wie of wat + pv + onderwerp?
b)
Wie of wat + pv?
c)
Wie of wat + pv + onderwerp + gezegde?
d)
Wie of wat + onderwerp?
5.
Wat is "Feyenoord" in de zin:Na de zege stond Feyenoord weer bovenaan de ranglijst.
a)
Persoonsvorm
b)
De beste voetbalclub van Nederland.
c)
Onderwerp
d)
Bijwoordelijke bepaling van plaats.
6.
Hoe vind je de persoonsvorm in een zin?
a)
Zin vragend maken, pv komt  vooraan.
b)
Zin in een andere tijd zetten,pv verandert mee.
c)
Zin in enkelvoud of meervoud zetten, pv verandert mee.
d)
alle opties
7.
Wat is het lijdend voorwerp in de zin:Mandy gaat elke vakantie naar het pretpark.
a)
Mandy
b)
elke vakantie
c)
naar het pretpark
d)
er is geen lijdend voorwerp
8.
Wat is het onderwerp in de zin: Iedere vrijdag werkt Lars bij de Jumbo.
a)
Iedere vrijdag
b)
werkt
c)
Lars
d)
bij de Jumbo
9.
Wat is "Xenos" in de zin:Xenos was erg blij met de hulp van Rayjesley.
a)
persoonsvorm
b)
onderwerp
c)
lijdend voorwerp
d)
bijwoordelijke bepaling (van plaats)
10.

Wat is het gezegde in de zin:

Voor het goede doel moeten wij 24 uur dansen.

a)
24 uur
b)
wij
c)
moeten
d)
moeten, dansen
11.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


De bakker heeft de broden alsnog kunnen verkopen.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

12.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Tijdens de ouderavond krijgen alle ouders koffie of thee.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

13.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Sinds wanneer heeft elke voetballer een nieuw t-shirt?

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

14.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Mijn moeder heeft voor de visite een cake gebakken.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

15.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


De heksen toveren de prins om in een kikker.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

16.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Ik wil een nieuwe outfit voor het feest morgen.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

17.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Heeft Tom de kartonnen doos hier neergezet?

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

18.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Mijn broertje ruimt nooit zijn spullen op.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

19.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Ik heb voor school mijn agenda nodig.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

20.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


De meester deelt lastige toetsen uit aan groep 8.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

21.

Wat is het onderwerp in de zin?


Mijn nicht heeft een verrassingsreis geboekt.

a)

Mijn nicht

b)

heeft

c)

een verrassingsreis

d)

heeft geboekt

22.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de zin?


Mijn moeder heeft de auto op slot gedaan.

a)

Mijn moeder

b)

heeft

c)

de auto

d)

heeft gedaan

23.

Wat is het onderwerp in zin?


De kinderen van mijn nicht hebben skeelers gekocht.

a)

De kinderen

b)

De kinderen van mijn nicht

c)

hebben gekocht

d)

skeelers

24.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin?


Van mijn zakgeld heeft Maarten een nieuwe telefoon gekocht.

a)

mijn zakgeld

b)

Maarten

c)

een nieuwe telefoon

d)

heeft gekocht

25.

Wat is de persoonsvorm in de zin?


Mijn oom wil een auto voor zeven personen kopen.

a)

Mijn oom

b)

wil

c)

een auto

d)

wil kopen

26.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin?


Heb jij dit weekend de woordjes voor Frans wel geleerd?

a)

Heb

b)

jij

c)

de woordjes voor Frans

d)

heb geleerd

27.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de zin?


Jullie winkel verkocht een klein schilderij op vrijdag.

a)

Jullie winkel

b)

verkocht

c)

een klein schilderij

d)

op vrijdag

28.

Wat is het onderwerp in de zin?


Ik ben het pionnetje van het bordspel kwijtgeraakt.

a)

Ik

b)

ben

c)

het pionnetje

d)

ben kwijtgeraakt

29.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin?


Alle leerlingen hebben hun eigen rekenschrift.

a)

Alle leerlingen

b)

hebben

c)

hun eigen rekenschrift

d)

eigen rekenschrift

30.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin?


Alle leerlingen hebben hun eigen rekenschrift.

a)

Alle leerlingen

b)

hebben

c)

hun eigen rekenschrift

d)

eigen rekenschrift

31.

Wat is het onderwerp in de zin?


Aan Marieke geef ik volgende week een presentje.

a)

Marieke

b)

geef

c)

ik

d)

een presentje

32.

Kies het juiste onderwerp. Hoe vind je dat onderwerp?

In onze schoolkantine worden lekkere broodjes verkocht met gezond beleg.

a)

onze schoolkantine

b)

lekkere broodjes

c)

lekkere broodjes met gezond beleg

d)

lekkere broodjes verkocht

33.

Anna en Kylian vinden het nieuwste boek van Carry Slee, beter dan het vorige boek.

Wat is het onderwerp en hoe vind je dat?

a)

Het onderwerp is 'het nieuwste boek van Carry Slee' en dat vind je door het aantal van de persoonsvorm te wijzigen.

b)

Het onderwerp is 'Anna en Kylian' en dat vind je door de vraag 'wie/wat + persoonsvorm', te stellen.

c)

Het onderwerp is 'het vorige boek' en dat vind je door de vraag te stellen 'wie/wat + persoonsvorm'.

d)

Het onderwerp is ''het nieuwste boek' en dat vind je door de persoonsvorm vooraan te zetten.

34.

Morgen kan er in Den Haag sneeuw vallen.

Wat is het onderwerp en hoe vind je dat?

a)

Het onderwerp is 'sneeuw' en dat vind je door het aantal van de persoonsvorm te wijzigen.

b)

Het onderwerp is Den Haag en dat vind je door de vraag 'wie/wat + persoonsvorm', te stellen.

c)

Het onderwerp is 'sneeuw' en dat vind je door de vraag te stellen 'wie/wat + persoonsvorm'.

d)

Het onderwerp is 'er' en dat vind je door te vragen 'wie of wat kan vallen'?

35.

In welke zin is het onderwerp vet en de persoonsvorm onderstreept?

a)

Elke zaterdag speelt Daniel voetbal bij Ado.

b)

Elke zaterdag speelt Daniel voetbal bij Ado.

c)

Elke zaterdag speelt Daniel voetbal bij Ado.

d)

Elke zaterdag speelt Daniel voetbal bij Ado.

36.

In welke zin is het onderwerp onderstreept?

a)

Muziek kan veel emotie losmaken bij mensen.

b)

Muziek kan veel emotie losmaken bij mensen.

c)

Muziek kan veel emotie losmaken bij mensen.

d)

Muziek kan veel emotie losmaken bij mensen.

37.

Welke zinsdelen kunnen geen onderwerp zijn?

Volgend jaar|bestaat|onze school|honderd jaar.

a)

Volgend jaar, bestaat, onze school

b)

bestaat, onze school, honderd jaar

c)

Volgend jaar, onze school, honderd jaar

d)

Volgend jaar, bestaat, honderd jaar

38.

Welk zinsdeel kan het onderwerp zijn?

De verpakkingen van levensmiddelen moeten E-nummers vermelden.

a)

E-nummers

b)

verpakkingen

c)

de verpakkingen van levensmiddelen

d)

levensmiddelen