wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordsoorten mavo1-havo1-H.1 t/m 4

Total questions: 44

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een eigennaam?

a)

een lidwoord

b)

een zelfstandig naamwoord

c)

een bijvoeglijk naamwoord

2.

Tim Schuurmans is een

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

eigennaam

d)

2 en 3 zijn goed

3.

Juist of onjuist? Een znw heeft meestal een enkelvoud en een meervoud

a)

juist

b)

onjuist

4.

Juist of onjuist? Van een znw kun je nooit een verkleinwoord maken

a)

juist

b)

onjuist

5.

Juist of onjuist. Voor een znw kun je nooit de, het of een zetten

a)

juist

b)

onjuist

6.

een is een onbepaald lidwoord

a)

juist

b)

onjuist

7.

soms staat er tussen een lidwoord en een znw nog andere woorden

a)

juist

b)

onjuist

8.
 Wat is het gekleurde woordsoort? In de metro kwam ik een oude vriend tegen.
a)
znw
b)
bijv.nw
c)
lw
d)
aanw.vnw
9.

Bij Gouda is bijna een trein ontspoord door natte bladeren. Wat is het gekleurde woordsoort?

a)

lidwoord

b)

stoffelijk bijv.nw

c)

bijv.nw

d)

znw

10.

Onze leraar verbetert ons werk altijd met een groene pen.

Wat is het gekleurde woordsoort?

a)

bijv.nw

b)

znw

c)

voorzetsel

11.

Onze leraar verbetert ons werk altijd met een groene pen.

Wat is het gekleurde woordsoort?

a)
bez.vnw
b)
pers.vnw
c)
bijv.nw
d)
znw
12.

Ze had de telefoon nog in haar hand.

Wat is het gekleurde woordsoort?

a)
znw
b)
lidwoord
c)
voorzetsel
d)
vragend vnw
13.

Wat zijn werkwoorden?

A de, het, een

B slager, leraar, boek

C spring, raken, gooien

a)

A

b)

B

c)

C

14.

Wat zijn de ww?

Op koningsdag draag je je oranje T-shirt met trots

a)

oranje

b)

draag

c)

T-shirt

15.

Wat zijn de ww? Mijn moeder heeft de badkamer geel geverfd.

a)

mijn moeder

b)

heeft

c)

heeft geverfd

d)

geel

16.

Wat zijn de ww? Hebben jullie wel eens gehoord van "een waarheid als een koe"?

a)

hebben

b)

gehoord

c)

hebben gehoord

d)

waarheid als een koe

17.

Juist of onjuist? Een bijv.nw zegt iets over het werkwoord

a)

juist

b)

onjuist

18.

Wat is het bijv.nw? Door zoete sapjes kun je last krijgen van je flink overgewicht.

a)

zoete-flink

b)

sapjes-overgewicht

c)

kun-krijgen

19.

Wat is het bijv.nw? De teleurgestelde voetballers lieten hun zoute tranen lopen.

a)

voetballers-tranen

b)

teleurgestelde-zoute

c)

lieten-lopen

20.

Wat zijn de ww? Wat is het bijv.nw? De teleurgestelde voetballers lieten hun zoute tranen lopen.

a)

teleurgestelde- zoute

b)

lieten -lopen

c)

voetballers-tranen

21.

Wat is het znw? De teleurgestelde voetballers lieten hun zoute tranen lopen.

a)

teleurgestelde -zoute

b)

voetballers-tranen

c)

lieten-lopen

22.

aanbellen is

a)

werkwoord

b)

scheidbaar werkwoord

c)

zelfstandig werkwoord

d)

hulpwerkwoord

23.

opbellen-aanraken-nakijken-terugkomen zijn?

a)

zelfstandige naamwoorden

b)

lidwoorden

c)

hulpwerkwoorden

d)

scheidbare werkwoorden

24.

Is de spelling goed?

Hij heeft een mooie gouwe ketting

a)

juist

b)

onjuist

25.

Is de spelling goed?

Dat is een prima houten kastje

a)

juist

b)

onjuist

26.

deze-die-dit-dat-zulke-zo'n-dergelijke zijn?

a)

vragende voornaamwoorden

b)

aanwijzende voornaamwoorden

c)

bijvoeglijk naamwoorden

27.

Een vragend voornaamwoord staat nooit aan het begin van een zin

a)

juist

b)

onjuist

28.

waarom-waarheen-wanneer-hoe zijn

a)

vragende voornaamwoorden

b)

aanwijzende voornaamwoorden

c)

1-2 zijn beiden juist

d)

1-2-3 zijn onjuist

29.

wat zijn de vragende voornaamwoorden?

a)

wie-wat-welke-waar

b)

wie-wat-welke-waarheen

c)

wie-hoe-welke-wat voor (een)

d)

wie-wat-welke-wat voor (een)

30.

Een aanwijzend vnw kan voor een znw staan, maar kan ook apart staan

a)

onjuist

b)

juist

31.

Vanaf morgen zal ik altijd mijn huiswerk maken

zal=

a)

hww

b)

zww

32.

Vanaf morgen zal ik altijd mijn huiswerk maken

maken=

a)

hww

b)

zww

33.

Waarom had je je huiswerk dan niet gemaakt?

had=

a)

hww

b)

zww

34.

Waarom had je je huiswerk dan niet gemaakt?

gemaakt=

a)

hww

b)

zww

35.

Ik had dat willen zien.

had=

a)

hww

b)

zww

36.

Ik had dat willen zien.

willen=

a)

hww

b)

zww

37.

Ik had dat willen zien.

zien=

a)

hww

b)

zww

38.

Ik zou dat liever zelf hebben gedaan.

zou=

a)

hww

b)

zww

39.

Ik zou dat liever zelf hebben gedaan.

hebben=

a)

hww

b)

zww

40.

Ik zou dat liever zelf hebben gedaan.

gedaan=

a)

hww

b)

zww

41.

Ik heb de hele dag gezocht naar mijn schooltas.

heb=

a)

hww

b)

zww

42.

Ik heb de hele dag gezocht naar mijn schooltas.

gezocht=

a)

hww

b)

zww

43.

Zelfs voor het dictee hadden veel leerlingen uit T2d goed geleerd.

hadden=

a)

hww

b)

zww

44.

Zelfs voor het dictee hadden veel leerlingen uit T2d goed geleerd.

geleerd =

a)

hww

b)

zww