wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Mavo 1 woordsoorten

Total questions: 25

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Klik het zelfstandig naamwoord aan in onderstaande zin:


Het gedicht is prachtig.

a)

prachtig

b)

het

c)

gedicht

d)

is

2.

Klik het zelfstandig naamwoord aan in onderstaande zin:


Piet loopt daar.

a)

Piet

b)

loopt

c)

daar

3.

Klik de zelfstandige naamwoorden aan in onderstaande zin:


Moeder gaat koekjes bakken.

a)

bakken en koekjes

b)

moeder en bakken

c)

moeder en koekjes

4.

Hoeveel lidwoorden hebben we in het Nederlands?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

5.

Waar of niet waar?

Een werkwoord zegt wat iets of iemand doet of wat er gebeurt.

a)

waar

b)

niet waar

6.

Waar of niet waar?

Namen zijn zelfstandige naamwoorden.

a)

waar

b)

niet waar

7.

Benoem het (de) zelfstandige naamwoord(en).

Ze hebben de game vaak gespeeld.

a)

Ze

b)

hebben

c)

game

d)

vaak

e)

gespeeld

8.

Benoem het (de) hulpwerkwoord(en).

Ze hebben de game vaak gespeeld.

a)

Ze

b)

hebben

c)

game

d)

vaak

e)

gespeeld

9.

Benoem het zelfstandig werkwoord.

Ze hebben de game vaak gespeeld.

(a)  

10.

Benoem het rode woord.

Martijn levert het boek in bij de bibliotheek.

a)

lidwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

c)

hulpwerkwoord

d)

zelfstandig naamwoord

11.

Benoem de voorzetsels.

Ricardo rijdt samen met zijn oom op de fiets naar de sportschool in Veghel.

a)

zijn - de - de

b)

Ricardo - oom - fiets - sportschool - Veghel

c)

met - op - naar - in

12.

Benoem de drie bijvoeglijke naamwoorden.

De trotse docent wil de hardwerkende leerlingen uit deze gemotiveerde klas trakteren.

a)

de- de - deze

b)

docent - leerlingen - leerlingen

c)

wil trakteren

d)

trotse - hardwerkende - gemotiveerde

13.

Benoem de het rode woord.

Vader had het versleten jasje van zijn zoon weggegooid.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

zelfstandig werkwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

14.

Benoem de het rode woord.

Het verloren portemonneetje bleek gewoon onder in de schooltas te zitten.

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

hulpwerkwoord

d)

zelfstandig naamwoord

15.

Wat is zo'n voor woord?

a)

vragend voornaamwoord

b)

aanwijzend voornaamwoord

c)

voorzetsel

d)

antwoord staat er niet bij

16.

Wat is door voor woord?

a)

vragend voornaamwoord

b)

aanwijzend voornaamwoord

c)

voorzetsel

d)

antwoord staat er niet bij

17.

Wat is wanneer voor woord?

a)

vragend voornaamwoord

b)

aanwijzend voornaamwoord

c)

voorzetsel

d)

antwoord staat er niet bij

18.

Wat is dergelijke voor woord?

a)

vragend voornaamwoord

b)

aanwijzend voornaamwoord

c)

voorzetsel

d)

antwoord staat er niet bij

19.

Wat is wie voor woord?

a)

vragend voornaamwoord

b)

aanwijzend voornaamwoord

c)

voorzetsel

d)

antwoord staat er niet bij

20.

Wat is het werkwoord?

Mijn vader schildert de kozijnen van ons huis.

(a)  

21.

Voorzetsels?

Op de pont moesten leerlingen een mondkapje dragen.

a)

de

b)

op, de

c)

op

d)

geen vz

22.

Benoem hww en zww.

Ze heeft vanmorgen haar huiswerk gemaakt.

a)

hww: heeft

zww: gemaakt

b)

hww: -

zww: gemaakt

c)

hww: heeft

zww: -

d)

hww: gemaakt

zww: heeft

23.

Benoem hww en zww.

In Magister stond hierover een opmerking.

a)

hww: stond

zww: opmerking

b)

hww: -

zww: stond

c)

hww: opmerking

zww: stond

d)

hww: stond

zww: -

24.

Benoem hww en zww.

Dit was al de derde keer deze maand.

a)

hww: -

zww: was

b)

hww: was

zww: -

c)

hww: maand

zww: dit

d)

hww: -

zww: maand

25.

Benoem hww en zww.

Morgen moet hij een uur nablijven.

a)

hww: nablijven

zww: moet

b)

hww: moet

zww: -

c)

hww: moet

zww: nablijven

d)

hww: -

zww: nablijven