wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Theorie wiskunde trimester 3

Total questions: 60

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

Een nulhoek is...

a)

een hoek die groter is dan 0°.

b)

een hoek die precies 0° is.

c)

een hoek kleiner dan 0°.

d)

een hoek die niet bestaat.

2.

Welk soort hoek herken je?

a)

Scherpe hoek

b)

Stompe hoek

c)

Inspringende hoek

d)

Uitspringende hoek

3.

Welk soort hoek herken je hier?

a)

Nulhoek

b)

Inspringende hoek

c)

Volle hoek

d)

Gesterkte hoek

4.

Welk soort hoek herken je hier?

a)

Nulhoek

b)

Inspringende hoek

c)

Gestrekte hoek

d)

Volle hoek

5.

Hoe groot is deze inspringende hoek?

a)

110°

b)

250°

c)

270°

d)

310°

6.

Wat is een ander woord voor deellijn?

a)

Bissectrice

b)

Directrice

c)

Deelhoek

d)

Gelijke hoek

7.

De bissectrice van een hoek is...

a)

een lijnstuk die een hoek in twee gelijke delen verdeelt.

b)

een rechte die een hoek in twee gelijke delen verdeelt.

c)

een hoek die een rechte in twee gelijke delen verdeelt.

d)

een hoek die een lijnstuk in twee gelijke delen verdeelt.

8.

Juist of fout? Door een punt gaat juist één rechte die evenwijdig is aan een gegeven rechte?

a)

Juist

b)

Fout

9.

Juist of fout? Door een punt gaan oneindig veel rechten die loodrecht staan op een gegeven rechte.

a)

Juist

b)

Fout

10.

Welke uitspraak in verband met de middelloodlijn van een lijnstuk klopt niet?

a)

De middelloodlijn van een lijnstuk gaat door het midden van een lijnstuk.

b)

De middelloodlijn van een lijnstuk staat loodrecht op een lijnstuk.

c)

De middelloodlijn van een lijnstuk gaat door het midden van een lijnstuk en staat er loodrecht op.

d)

De middelloodlijn van een lijnstuk is zelf ook een lijnstuk.

11.

Als a//b en c//b, dan...

a)

zijn a en c ook evenwijdig.

b)

staan a en c loodrecht op elkaar.

c)

snijden a en c elkaar.

d)

staan a en b loodrecht op elkaar.

12.

Vul aan. Als twee rechten loodrecht staan op eenzelfde rechte, dan...

a)

staan die twee rechten ook loodrecht op elkaar.

b)

zijn de rechten onderling evenwijdig.

c)

snijden de twee andere rechten elkaar.

13.

Juist of fout? De afstand tussen twee snijdende rechten kun je niet bepalen.

a)

Juist

b)

Fout

14.

d(A, B)= 3 cm betekent...

a)

De afstand tussen het punt A en het punt B is 3 cm.

b)

De afstand tussen de rechte a en de rechte b is 3 cm.

c)

De diameter van de cirkel is 3 cm.

d)

De afstand van het punt A en de rechte b is 3 cm.

15.

Juist of fout? Alle gehele getallen zijn rationale getallen.

a)

Juist

b)

Fout

16.

Dit is de notatie van...

a)

de verzameling van de positieve rationale getallen.

b)

de verzameling van de negatieve rationale getallen.

c)

de verzameling van de positieve rationale getallen zonder nul.

d)

de verzameling van de positieve rationale getallen met nul.

17.

Juist of fout? Als teller en noemer allebei negatief zijn, dan spreken we van een positieve breuk.

a)

Juist

b)

Fout

18.

Juist of fout? Gelijknamige breuken zijn breuken die je verkrijgt door teller en noemer van een breuk te vermenigvuldigen (of delen door) eenzelfde van nul verschillend getal.

a)

Juist

b)

Fout

19.

Juist of fout? Het tegengestelde van een breuk verkrijg je door teller en noemer van plaats te wisselen.

a)

Juist

b)

Fout

20.

De waarde van één stukje op deze getallenas is...

a)

0,5

b)

0,2

c)

1/5

d)

7/8

21.

- 2 - 4 =

a)

6

b)

- 6

c)

2

d)

- 2

22.

Bereken op een kladblad.

a)

11/10

b)

7/20

c)

-7/20

d)

1/9

23.

Juist of fout? Het product van twee factoren met een verschillend teken is positief.

a)

Juist

b)

Fout

24.

Bereken.

a)

- 21/ 24

b)

7/8

c)

-7/8

d)

- 56/9

25.

Welke bewerking kan je niet uitvoeren?

a)

0 : 7 =

b)

7 . 0 =

c)

7 : 0 =

d)

0 + 7 =

26.

Bereken op een kladblad.

a)

3/4

b)

4/3

c)

- 3/4

d)

1

27.

Welke uitspraak klopt niet?

a)

De macht van een positief getal is altijd positief.

b)

De macht van een negatief getal is altijd negatief.

c)

De macht van een negatief getal is soms negatief.

d)

Om te weten of de macht van een negatief getal positief of negatief is, moet je kijken naar de exponent.

28.

213° =

a)

0

b)

1

c)

213

d)

Kan niet

29.

Bij 5³ noem je de 5 ...

a)

het grondtal.

b)

de exponent

c)

de macht.

30.

Het resultaat van (-7)³ is

a)

Positief

b)

negatief

31.

Van wat kan je de vierkantswortel niet bepalen?

a)

van 0.

b)

Van een negatief getal.

c)

Van een decimaal getal.

d)

Van een breuk.

32.

Juist of fout? Bij de volgorde van bewerkingen voer je eerst de machten en vierkantwortels uit en dan de bewerkingen tussen haakjes.

a)

Juist

b)

Fout

33.

Juist of fout? Bij de volgorde van bewerkingen krijgt de optelling voorrang op de aftrekking?

a)

Juist

b)

Fout

34.

Juist of fout? Bij een gelijkheid mag je beide leden van plaats verwisselen.

a)

Juist

b)

Fout

35.

Juist of fout? Een vergelijking is een gelijkheid waarin een onbekend element voorkomt.

a)

Juist

b)

Fout

36.

Wanneer bij een veelhoek alle hoeken even groot zijn en alle zijden even lang, dan spreken we over een...

a)

Gelijkzijdige veelhoek

b)

Gelijke veelhoek

c)

Speciale veelhoek

d)

Regelmatige veelhoek

37.

Juist of fout? Wanneer je de benaming van een veelhoek noteert, dan noteer je de letters van de hoeken in tegenwijzerzin.

a)

Juist

b)

Fout

38.

De som van de hoeken van een driehoek is gelijk aan...

a)

100°

b)

160°

c)

180°

d)

360°

39.

Een driehoek waarvan de drie zijden een andere lengte hebben, noemen we een...

a)

ongelijkbenige driehoek.

b)

ongelijkzijdige driehoek.

40.

Dit is een...

a)

gelijkzijdige driehoek.

b)

gelijkbenige driehoek.

c)

scherphoekige driehoek.

d)

driehoek

41.

Juist of fout? In een gelijkbenige driehoek zijn de basishoeken even groot.

a)

Juist

b)

Fout

42.

Juist of fout? De hoogtelijn van een driehoek gaat altijd door een hoekpunt.

a)

Juist

b)

Fout

43.

Juist of fout? De drie deellijnen van een driehoek snijden elkaar in één punt.

a)

Juist

b)

Fout

44.

De zwaartelijn van een driehoek is de rechte door een hoekpunt en door het midden van de overstaande zijde.

a)

Juist

b)

Fout

45.

m is de... van de driehoek ABC

a)

hoogtelijn

b)

middelloodlijn

c)

zwaartelijn

d)

deellijn

46.

De som van de hoeken van een vierhoek is...

a)

180°

b)

260°

c)

360°

d)

380°

47.

Vul de definitie aan:

Een trapezium is een vierhoek...

a)

met minstens één paar evenwijdige zijden.

b)

met precies één paar evenwijdige zijden.

c)

met vier even lange zijden.

d)

met minstens één paar even lange zijden.

48.

Juist of fout? Een vierkant is ook een ruit.

a)

Juist

b)

Fout

49.

Juist of fout? In een parallellogram snijden de diagonalen elkaar middendoor.

a)

Juist

b)

Fout

50.

m is ... van de gegeven cirkel.

a)

de diagonaal

b)

het middelpunt

c)

de middellijn

d)

de diameter

51.

|EM| is ... van de gegeven cirkel.

a)

een straal

b)

een koorde

c)

de straal

d)

de diameter

52.

3,9 dm is gelijk aan...

a)

0,39 m

b)

39 m

c)

390 m

d)

0,039 m

53.

4 km is gelijk aan...

a)

400 m

b)

4000 m

c)

40 000 dm

d)

4000 dm

54.

De omtrek van een rechthoek met een zijde van 6 cm en een zijde van 4 cm is...

a)

10 cm

b)

10 cm²

c)

100 cm

d)

20 cm

55.

1 m² is gelijk aan...

a)

10 dm²

b)

100 dm²

c)

0,1 dm²

d)

0,01 dm²

56.

1 km² is gelijk aan...

a)

1000 m²

b)

10 000 m²

c)

100 000 m²

d)

1 000 000 m²

57.

De oppervlakte van een vierkant met een zijde van 5 cm is gelijk aan...

a)

10 cm²

b)

25 cm²

c)

25 cm

d)

Kan niet berekend worden.

58.

De formule voor het bereken van de oppervlakte van een cirkel is...

a)

r2πr^2\cdot\pi  

b)

2rπ2r\pi  

c)

rπ2r\cdot\pi^2  

d)

rπr\pi  

59.

1 dm³ is gelijk aan...

a)

1 dal

b)

1 l

c)

1 dl

d)

1 cl

60.

De inhoud

/het volume van een kubus met een zijde van 3 m is gelijk aan...

a)

9 m²

b)

9 m³

c)

27 m²

d)

27 m³