wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Pruiken en Revoluties

Total questions: 51

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

Lodewijk XIV regeerde in de tijd van

a)

Steden en Staten

b)

Ontdekkers en Hervormers

c)

Regenten en Vorsten

d)

Pruiken en Revoluties

2.

Welk begrip past bij de volgende omschrijving?

Het streven van vorsten naar één centraal bestuur met overal dezelfde wetten en regels

a)

Absolutisme

b)

Centralisatie

c)

Droit Divin

d)

Mercantilisme

3.

Lodewijk XIV regeerde in de tijd van

a)

Steden en Staten

b)

Ontdekkers en Hervormers

c)

Regenten en Vorsten

d)

Pruiken en Revoluties

4.

Welk begrip past bij de volgende omschrijving?

Het streven van vorsten naar één centraal bestuur met overal dezelfde wetten en regels

a)

Absolutisme

b)

Centralisatie

c)

Droit Divin

d)

Mercantilisme

5.

Wat is de juiste volgorde van belangrijkheid van de standenmaatschappij?

a)

adel - geestelijkheid - boeren/burgers

b)

geestelijkheid - adel - boeren/burgers

c)

adel - boeren/burgers - geestelijkheid

d)

geestelijkheid - boeren/burgers - adel

6.

Wat was geen probleem waar Europese vorsten mee te maken kregen in de 17e eeuw?

a)

De adel wilde graag ook de macht hebben en was niet te vertrouwen. Daarom werd het steeds moeilijker om met hulp van de adel te regeren.

b)

Koningen wilden graag hun gebied uitbreiden, maar daar was veel geld voor nodig. Zij moesten steeds weer aan de standenvertegenwoordiging om belastingverhoging vragen.

c)

De burgers wilden een democratisch bestuur waar de koning geen rol in speelde.

7.

Welk begrip past er niet bij een centraal bestuur?

a)

Absolute macht

b)

Standenvergadering

c)

Vanuit een punt regeren

d)

Gewesten mogen zelf beslissingen nemen

8.

Waarom werd de adel gedwongen op het paleis van Lodewijk XIV te verblijven?

a)

Dan kon de koning de adel in de gaten houden

b)

Dan kon de koning makkelijker met zijn ministers overleggen

c)

Dan kon de adel makkelijker belasting betalen

d)

Dan kon de adel de koning goed controleren

9.

Lodewijk XIV had als kind een opstand van de adel meegemaakt. Hij liet de adel op zijn paleis verblijven.

a)

De onderstreepte zin is de oorzaak van de eerste zin

b)

De onderstreepte zin is het gevolg van de eerste zin

c)

De onderstreepte zin heeft niets te maken met de eerste zin

10.

Welke uitspraak is van een absolute koning?

a)

Ik regeer alleen en hoef niemand te gehoorzamen

b)

Ik regeer samen met mijn ministers en overleg met ze

c)

Ik luister naar wat het volk wil

d)

Mijn ministers regeren voor mij en ik moet ze gehoorzamen

11.

Wat was de bijnaam van Lodewijk XIV?

a)

Zonnekoning

b)

Zomerkoning

c)

Sterrendans

d)

Maanlanding

12.

Wie hoefden geen belasting te betalen?

a)

Burgers en adel

b)

Geestelijken en burgers

c)

Adel en geestelijken

d)

Geestelijken en boeren

13.

De Franse samenleving van vóór de Franse Revolutie bestond uit 3 standen. Bij welke stand hoorde de meeste mensen?

a)

De eerste stand, de geestelijkheid

b)

De tweede stand, de adel

c)

De derde stand, de boeren en burgers

14.

Bij welk begrip past de afbeelding het beste?

a)

Centralisatie

b)

Droit Divin

c)

Absolutisme

d)

Mercantilisme

15.

Welk begrip past het beste bij de volgende omschrijving?

Het goddelijk recht van koningen om als oppermachtige te regeren

a)

Droit Divin

b)

Fronde

c)

Létat, cest moi

d)

Le roi soleil

16.

Hoe heet de bestuursvorm waarbij de vorst alles alleen mag beslissen (gebruik een -isme)

(a)  

17.

Wat was geen langlopend probleem in Frankrijk?

a)

De staatskas was leeg en de staatsschuld nam toe.

b)

Het bestuur en leger functioneerden slecht.

c)

De standenmaatschappij zorgde voor ongelijkheid en onvrede.

d)

De regenten hadden geen bestuurservaring om de koning goed bij te staan.

18.

Welke stand uit de standenmaatschappij was het grootst?

a)

De geestelijkheid

b)

De adel

c)

De boeren en burgers

19.

De Derde Stand werd in welvaart, belastinginning, rechtspraak en bestuursinspraak voorgetrokken.

a)

Juist

b)

Onjuist

20.

De opvolgers van Lodewijk XIV zijn niet zulke krachtige vorsten als Lodewijk XIV. Dit is een voorbeeld van....

a)

Continuïteit

b)

Discontinuïteit

21.

Lodewijk XIV en zijn opvolgers doen alle drie een beroep op het droit divin. Dit is een voorbeeld van...

a)

Continuïteit

b)

Discontinuïteit

22.

Welk begrip hoort bij de 'Rijke burgerij'

(a)  

23.

'Het absolutisme en het ancien régime van de 18e eeuw zijn nauw met elkaar verbonden.'

a)

Juist

b)

Onjuist

24.

De rijke burgers begonnen zich uit te spreken tegen de ongelijkheden in de maatschappij. Wat was geen ongelijkheid waar ze zich tegen uitspraken?

a)

Geen inspraak

b)

Ongelijke belastingverdeling

c)

Ongelijke rechtspraak

d)

Te veel aandacht voor de handel

25.

In welke eeuw ontstond er een levendig wetenschappelijk klimaat.

a)

16e eeuw

b)

17e eeuw

c)

18e eeuw

d)

19e eeuw

26.

Hoe noemen we de periode in de geschiedenis waarin kunst en cultuur een grote bloei kennen en worden gebaseerd op de Klassieke Oudheid?

(a)  

27.

Wat betekent het woord ratio?

(a)  

28.

Wetenschappers volgden in deze periode niet meer blind de uitspraken van de

a)

koning

b)

kerk

c)

bourgeoisie

d)

regenten

29.

Bekijk de bron.

Geef aan of Kant in de bron een positief of negatief idee van de Verlichting geeft.

a)

Positief

b)

Negatief

30.

Erasmus was een humanist. Wat is geen idee van Erasmus?

a)

Het christelijk geloof moet terug naar de oorsprong

b)

Het christelijke geloof moet ontdaan worden van alle rijkdommen

c)

De aflatenhandel moest worden gestopt

d)

Het christelijke geloof moest donaties ontvangen van de mensen, zodat er kerkdiensten konden worden georganiseerd voor het gewone volk

31.

Wie stelde dat als God de wereld had geschapen, God dan dus ook verantwoordelijk was voor de natuurwetten en wetenschap

a)

Spinoza

b)

Erasmus

c)

Voltaire

d)

Bekker

32.

Wie stelde dat alle mensen vrij en gelijk worden geboren? Geef alleen de achternaam

(a)  

33.

Wie moest volgens Rousseau de macht hebben?

a)

De kerk

b)

De koning

c)

het volk

34.

Welke macht maakt geen onderdeel uit van de Driemachtenleer?

a)

Wetgevende macht

b)

Geestelijke macht

c)

Uitvoerende macht

d)

Rechtsprekende macht

35.

In welk tijdvak ontstaat het verlichte denken?

a)

Tijd van steden en staten

b)

Tijd van regenten en vorsten

c)

Tijd van pruiken en revoluties

d)

Tijd van burgers en stoommachines

36.

Welk kenmerk past niet bij de Verlichting?

a)

Individualiteit

b)

Vergaren van kennis

c)

Gebruik van het verstand

d)

Verbod op vrijheid van meningsuiting

37.

Wat is de juiste omschrijving van het begrip Verlichting?

a)

Denkstroming in de 18e eeuw die het gebruiken van het eigen verstand centraal stelde. Hierdoor kon een betere samenleving worden gemaakt.

b)

Denkstroming waarbij mensen op een bepaalde manier gingen denken dat ze zich erg verlicht voelden.

c)

Een nieuwe uitvinding in de 18e eeuw waarbij mensen niet meer kaarsen als verlichting hoefden te gebruiken, maar nu lampen konden gebruiken.

38.

Welke omschrijving van het absolutisme is juist?

a)

Manier van regeren waarbij de president alle macht van God heeft gekregen en daardoor het alleenrecht heeft

b)

Manier van regeren waarbij de ministers niets tegen de vorst kunnen inbrengen, omdat zo moet van de kerk

c)

Manier van regeren waarbij de vorst alle macht in handen heeft omdat God hem al die macht gegeven zou hebben

d)

Manier van regeren waarbij het parlement alle macht heeft en de koning niets te zeggen heeft

39.

Welk idee past bij de verlichting?

a)

Macht moet niet gegeven worden aan één persoon/groep

b)

Iedereen mag stemmen

c)

Slaven moeten beter worden behandeld

d)

De paus heeft altijd gelijk

40.

Wat is de Trias Politica?

a)

De scheiding der machten. De macht wordt verdeeld onder de koning, de regering en de bevolking.

b)

De scheiding der machten, staat voor de wetgevende macht, uitvoerende macht en rechtgevende macht.

c)

Voorloper van de constitutionele monarchie.

d)

De politiek van een land verdeeld onder de hoogste macht, wetgevende macht en rechtelijke macht

41.

Welke eeuw noemen we de tijd van pruiken en revoluties?

a)

15e eeuw

b)

16e eeuw

c)

17e eeuw

d)

18e eeuw

42.

Wat is de juiste volgorde van de standen in de standenmaatschappij in Frankrijk in de 18e eeuw?

a)

1e stand adel, 2e stand geestelijkheid, 3e stand de burgers

b)

1e stand geestelijkheid, 2e stand adel, 3e stand boeren

c)

1e stand de burgers, 2e stand adel, 3e stand geestelijkheid

d)

1e stand geestelijkheid, 2e stand adel, 3e stand de boeren en burgers

43.

Welke privileges hadden de 1e en 2e stand?

a)

Zij konden meebeslissen met de koning en dat mocht de 3e stand niet

b)

Zij hoefden niet mee te regeren in het bestuur

c)

Zij hoefden geen belasting te betalen

44.

Waarom was het Franse volk ontevreden eind 18e eeuw? Er zijn drie antwoorden juist.

a)

Er was hongersnood door een vele mislukte oogsten

b)

De schatkist was leeg, Frankrijk was failliet

c)

Het volk wilde een grondwet

d)

Lodewijk XVI en zijn vrouw Marie Antionette gaven veel geld uit en hadden een uitbundig luxe leven

45.
Welke stand kwam bijeen op de Kaatsbaan?
a)
de eerste stand
b)
de eerste en tweede stand
c)
de tweede en derde stand
d)
alleen de derde stand
46.
De Franse burgers grepen op 14 juli 1789 naar de wapens. Welk gebouw werd die dag door hen bestormd?
a)
Het paleis in Versailles.
b)
Het paleis in Parijs.
c)
De gevangenis in Versailles.
d)
De gevangenis in Parijs.
47.
De Franse burgers  maakten een grondwet.  Wat was de belangrijkste  regel in die wet?
a)
De voorrechten golden voortaan ook voor de 3e stand.
b)
Iedereen heeft gelijke rechten.
c)
Frankrijk heeft geen koning meer.
d)
De edelen regeren voortaan het land.
48.
Drie jaar na het begin van de revolutie werd Frankrijk een republiek. Dat is.....
a)
een land met een koning zonder macht.
b)
een land met edelen die het land regeren.
c)
een land zonder echte  leider.
d)
een land zonder koning of keizer.
49.

Wat is de slogan van de Franse Revolutie? Deze is geinspireerd door de verlichting.

a)

Alle macht voor de koning!

b)

Vrijheid, gelijkheid en broederschap.

c)

De burgers bepalen alles!

d)

Memento Mori (gedenk te sterven).

50.

Wat is de directe aanleiding voor de Franse revolutie?

a)

De bestorming van de Bastille.

b)

De misoogst van 1788.

c)

Een groep vrouwen protesteert bij de poorten van Versailles. De koning moet voortaan in Parijs wonen.

d)

De Verklaring van de rechten van de Mens en Burger wordt opgesteld.

51.

Wat zijn oorzaken van de Franse Revolutie? (Drie antwoorden zijn goed).

a)

Er was veel sprake van ongelijkheid in Frankrijk.

b)

Frankrijk had een lege staatskist.

c)

Lodewijk XVI had geen opvolger.

d)

Er was veel sprake van corruptie.

e)

Lodewijk XVI werd gezien als landverrader omdat zijn vrouw van Oostenrijkse afkomst was.