wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

NER T3

Total questions: 51

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Welk bloedvat brengt het bloed van het hart naar de longen?

a)

ader

b)

slagader

c)

haarvat

2.

Wat vervoeren de bloedvaten die op de afbeelding rood gekleurd zijn?

a)

zuurstofgas en koolstofdioxide

b)

zuurstofgas en waterdamp

c)

zuurstofgas en ook voedingsstoffen

d)

koolstofdioxide en waterdamp

3.

Welke weg legt het bloed af in de grote bloedsomloop?

a)

hart > longen > hart > organen

b)

organen > hart > organen

c)

hart > longen > organen > hart

d)

hart > organen > hart

4.

Welk bloedvat brengt bloed van de longen naar het hart?

a)

longader

b)

lichaamsslagsader

c)

hartader

d)

longslagader

5.

Hart- en vaatziektes zijn ...

a)

ziektes waar je hart van sneller slaat

b)

ziektes waar je hart en bloedvaten verwijderd moeten worden

c)

ziektes waarvan je dood gaat

d)

ziektes die zich voordoen aan het hart en bloedvaten

6.

Welke stof zorgt voor vernauwing van de bloedvaten?

a)

vet

b)

zetmeel

c)

kalk

d)

vitamines

7.

Welke ziekte is een hart- of vaatziekte?

a)

trombose

b)

hartinfarct

c)

beroerte

d)

blauwe plek

8.

Hart- en vaatziektes zijn altijd erfelijk?

a)

juist

b)

fout

9.

Hoe kan je zorgen voor een gezond hart in een gezond lichaam?

a)

minder plantaardige producten eten

b)

minder stressen

c)

minderen met roken

d)

fit blijven

10.

In welke aggregatietoestand bevindt deze stof zich?

a)

Vast

b)

Vloeibaar

c)

Gas

11.

In welke aggregatietoestand bevindt deze stof zich?

a)

Vast

b)

Vloeibaar

c)

Gas

12.

In welke aggregatietoestand bevindt deze stof zich?

a)

Vast

b)

Vloeibaar

c)

Gas

13.

In welke aggregatietoestand bevindt deze stof zich?

(a)  

14.

In welke aggregatietoestand bevindt deze stof zich?

(a)  

15.
Welk punt hoort niet bij het deeltjesmodel?
a)

Iedere stof is opgebouwd uit hele kleine deeltjes.

b)

Elke stof heeft zijn eigen soort deeltjes.

c)

Deeltjes hebben altijd dezelfde snelheid.

d)

Deeltjes trekken elkaar aan.

16.
In welke fase zijn de aantrekkingskrachten het grootst?
a)
vaste fase
b)
vloeibare fase
c)
gasfase
d)
alle fasen
17.

Als je water kookt, gaat het verdampen. Wat gebeurt er dan met de snelheid van de deeltjes?

a)
De moleculen gaan sneller bewegen.
b)
De moleculen gaan langzamer bewegen.
c)
De snelheid blijft gelijk.
18.

Wat gebeurt er met de aantrekkingskracht tussen de deeltjes van water als het bevriest?

a)
De aantrekkingskracht wordt groter.
b)
De aantrekkingskracht wordt kleiner.
c)
De aantrekkingskracht blijft gelijk.
19.

Welke deeltjes zitten er in suikerwater?

a)

suikerwaterdeeltjes

b)

alleen suikerdeeltjes

c)

suikerdeeltjes en waterdeeltjes

20.

Bij welke faseovergang gaan de deeltjes sneller bewegen omdat je warmte toevoegt?

a)
stollen
b)

desublimeren

c)
verdampen
d)
condenseren
21.

Hoeveel aggregatietoestanden zijn er

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

22.

Een ijsblokje in een glas limonade

a)

Smelt

b)

Verdampt

c)

Condenseert

d)

Stolt

23.

Welke faseovergang zie je hier afgebeeld?

a)

Smelten

b)

Stollen

c)

Condenseren

d)

Sublimeren

24.

De afstand tussen de deeltjes bij een gas is

a)

Groot

b)

Klein

c)

Heel klein

25.

Welke faseovergang zie je op de afbeelding?

a)

smelten

b)

verdampen

c)

condenseren

d)

sublimeren

26.

Welke aggregatietoestand herken je?

a)

vast

b)

vloeibaar

c)

gas

27.

Ramen beslaan in een volle bus:

a)

condenseren

b)

verdampen

c)

smelten

d)

sublimeren

28.

De straat droogt op na een regenbui:

a)

smelten

b)

verdampen

c)

condenseren

d)

desublimeren

29.

Maken van ijsklontjes in de vriezer = ...

a)

verdampen

b)

bevriezen

c)

sublimeren

d)

desublimeren

30.

De geur van een stuk zeep kan je waarnemen doordat de zeep ...

a)

smelt

b)

verdampt

c)

sublimeert

d)

condenseert

e)

stolt

31.

In een vaste stof bewegen de deeltjes kriskras over elkaar.

a)

Juist

b)

Fout

32.

In een vloeistof zitten de deeltjes tegen elkaar aan, maar kunnen nog wel langs elkaar bewegen?

a)

juist

b)

onjuist

33.

Verdampen is de faseovergang van vast naar gasvormig?

a)

juist

b)

onjuist

34.

Wat is het verschil tussen voorwerp of een stof?

a)

een voorwerp is het kleinste deeltje waaruit een stof is opgebouwd.

b)

een voorwerp is opgebouwd uit stoffen

c)

een stof is opgebouwd uit voorwerpen

35.

Welke faseovergang gaat van een vloeistof naar een vaste stof?

a)

smelten

b)

sublimeren

c)

stollen

d)

verdampen

36.

Hoe noem je de faseovergang van een vaste stof naar een gas?

a)

smelten

b)

sublimeren

c)

stollen

d)

desublimeren

37.

Hoe noem je de faseovergang van vast naar vloeibaar?

a)

Smelten

b)

Bevriezen

c)

Condenseren

d)

Sublimeren

38.

Welke faseovergang is dit?

a)

Van vast naar gas

b)

Van gas naar vast

c)

Van vloeibaar naar vast

d)

Van gas naar vloeibaar

39.

Wat is verdampen?

a)

Van gas naar vloeibaar

b)

Van gas naar vast

c)

Van vast naar gas

d)

Van vloeibaar naar gas

40.

Hoe noem je de faseovergang van gas naar vloeibaar?

a)

Smelten

b)

Stollen

c)

Condenseren

d)

Verdampen

41.

Kaarsvet wordt vloeibaar tijdens het branden van een kaars:

a)
stollen
b)
smelten
c)
verdampen
d)
bevriezen
42.

Een vloeistof komt in een vaste vorm voor?

a)
niet waar
b)
soms
c)
waar
d)
weet niet
43.

Benzine kan je ruiken tijdens het tanken:

a)
verdampen
b)

sublimeren

c)
condenseren
d)

stollen

44.
Een stuk zeep ruikt vaak lekker. In welke fase is een stof die je ruikt?
a)
vaste fase
b)
vloeibare fase
c)
gasfase
45.

Als je water kookt, gaat het verdampen. Wat gebeurt er dan met de snelheid van de deeltjes?

a)

De deeltjes gaan sneller bewegen.

b)

De deeltjes gaan langzamer bewegen.

c)
De snelheid blijft gelijk.
46.

Wat gebeurt er met water als de temperatuur onder 0°C komt?

a)

stollen

b)
smelten
c)
condenseren
d)
bevriezen
47.

Wat is geen materie?

a)

ballon

b)

houten bank

c)

droom

d)

lucht

48.

Wat is geen stof?

a)

metaal

b)

hout

c)

plastic

d)

stoel

49.

Wat is een deeltjesmodel?

a)

voorstelling van de faseovergang

b)

voorstelling van de stof

50.

Uit hoeveel deeltjes bestaat deze stof?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

15

51.

Welk voorwerp is een mengsel van stoffen?

a)

bril

b)

ringmap

c)

stalen trap

d)

plastieken bestek