wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Alles over leerjaar 1

Total questions: 77

Worksheet time: 47mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een organisme?

a)

Een levend wezen

b)

Alles wat beweegt

c)

Alles wat groeit

2.

Hoe heet het dunnen velletje om een zaad heen?

a)

Vel

b)

Huid

c)

Zaadhuid

d)

Zaadvel

3.

Wat zijn onderdelen van een boon.

a)

Poortje

b)

Zaadhuid

c)

wortel

d)

Hart

e)

Zaadlob

4.

Wanneer is iets dood?

a)

Als iets nooit levensverschijnselen heeft gehad.

b)

Als iets levensverschijnselen had maar nu niet meer.

c)

Als iets levensverschijnselen vertoont

5.

Wat hebben mensen voor voordeel van fotosynthese?

a)

Zuurstof

b)

Voedsel

c)

CO2

d)

Water

6.

Welk deel eet je van deze plant?

a)

Bladeren

b)

Stengel

c)

Wortel

7.

Op de afbeelding zien we:

a)

Voedingsmiddelen

b)

Voedingsstoffen

8.
Manieren om voedsel te conserveren zijn
a)
vacuüm verpakken
b)
drogen
c)
steriliseren
d)
alle antwoorden zijn manieren van conserveren
9.

Wat betekent het woord conserveren?

a)

Dat is een ander woord voor geur.

b)

Delen van een plant die het eten smaak geven, zoals kaneel.

c)

Genieten van lekker eten.

d)

Zorgen dat het eten langer goed blijft.

10.

Welke voedingsmiddelen zijn beter voor de goede werking van de darmen?

a)

plantaardige

b)

dierlijke

11.
Wat is/zijn de functie(s) van mineralen?
a)
Brandstof
b)
Reservestof
c)
Beiden
d)
Geen van beiden
12.
Wat is/zijn de functie(s) van koolhydraten
a)
Brandstof
b)
Reservestof
c)
Beiden
d)
Geen van beiden
13.
Is een voedingsstof een onderdeel van een voedingsmiddel?
a)
Ja
b)
Nee
14.
koolhydraat is een 
a)
voedingsmiddel
b)
voedingsstof
15.

Wat is geen voedingsmiddel?

a)

Aardappel

b)

Ei

c)

Banaan

d)

Zetmeel

16.
Wat is het langste deel van het verteringsstelsel?
a)
Dikke Darm
b)
Twaalfvingerige Darm
c)
Dunne Darm
d)
Blinde Darm
17.

dit sap maakt van grote vetdruppels kleine vetdruppels

a)

maagsap

b)

gal

c)

alvleessap

d)

speeksel

18.

Nummer 2 is de

a)

maag

b)

lever

c)

dikke darm

d)

slokdarm

19.

nummer 9 is de

a)

slokdarn

b)

twaalfvingerige darm

c)

dunne darm

d)

dikke darm

20.

Nummer 11 is de

a)

slokdarm

b)

twaalfvingerige darm

c)

dunne darm

d)

dikke darm

21.

de galblaas is nummer

a)

7

b)

8

c)

6

d)

10

22.

De juiste weg waarlangs je eten gaat is(goed kijken, extra tijd!)

a)

2-3-7-8-12

b)

2-5-6-7-9

c)

2-4-6-11-12

d)

2-3-5-9-11-12

23.

De kneedbewegingen van je darm zijn de (goed lezen!)

a)

periklastische bewegingen

b)

perilastische bewegingen

c)

peristaltische bewegingen

d)

sperliatische bewegingen

24.

De wand van de dunne darm bestaat uit darmvlokken en

a)

darmlippen

b)

darmplooien

c)

darmvliezen

d)

darmpjes

25.

Het laatste stukje darm

a)

slokdarm

b)

dunne darm

c)

endeldarm

d)

dikke darm

26.

Waar is de slokdarm voor?

a)

Het verteren van vetten

b)

Eten van de mond naar de maag brengen

c)

Het verteren van eiwitten

d)

Het opnemen van voedingsstoffen

27.

Een _______ is een deel van een organisme met een of meerdere functies.

a)

orgaan

b)

orgaanstelsel

c)

cellen

d)

weefsel

28.

Organen die samenwerken noem je een...

a)

orgaanstelsel

b)

Organisatieniveau

c)

Organen

d)

Weefsels

29.

Een groep cellen bij elkaar met dezelfde vorm en functie noem je een....

a)

orgaan

b)

weefsel

c)

orgaanstelsel

d)

groep cellen

30.

Wat is het kleinste organisatieniveau?

a)

organisme

b)

orgaanstelsel

c)

orgaan

d)

weefsel

e)

cel

31.

Wat is het grootste organisatieniveau?

a)

organisme

b)

orgaanstelsel

c)

orgaan

d)

weefsel

e)

cel

32.

Welk onderdeel van de plantaardige cel maakt fotosynthese mogelijk?

a)

Vacuole

b)

Bladgroenkorrels

c)

Celwand

d)

Celkern

33.
Wat is de juiste volgorde van groot naar klein?
a)
Organenstelsel - Organisme - Weefsel - Cellen
b)
Organisme - Organenstelsel - Weefsel - Cellen
c)
Organisme - Organenstelsel - Organen - Weefsel - Cellen
d)
Organenstelsel- Organisme - Organen
34.

Opening aan de onderkant van een blad noemen we

a)

mondjes

b)

poriën

c)

bladporiën

d)

huidmondjes

35.
Hoe noem je de dunne uitstulpingen aan het einde van wortels?
a)
Wortelsprietjes
b)
Wortelstelsels
c)
Worteluitstulpingen
d)
Wortelharen
36.
Er bestaan twee soorten planten:
a)
Houtachtige- en boomachtige planten
b)
Houtachtige- en kruidachtige planten
c)
Kruidachtige- en boomachtige planten
d)
Boomachtige- en struikachtige planten
37.
Een plant krijgt een paar dagen te weinig water. Toch blijft hij overeind staan. Wat voor soort plant is het? 
a)
Het is een houtachtige plant
b)
Het is een kruidachtige plant
38.
Je kijkt de jaarringen van een boom. Het oudste hout van een boom bevindt zich:
a)
Precies in het midden van de doorsnede. Daar bevindt zich de eerste jaarring.
b)
Net onder de schorslaag. Daar bevindt zich de eerste jaarring.
c)
Ergens tussen de schorslaag en het midden van de stam in. Je kan dat niet precies bepalen.
d)
De schorslaag is het oudste want die is helemaal verdroogd en zit aan de buitenkant van de boom.
39.
Hoe noem je meerdere vaten die bij elkaar liggen?
a)
Vaatkluit
b)
Vaatbundel
c)
Vaatkolonie
d)
Vaatmassa
40.
Welke voedingsstof is opgebouwd uit aminozuren?
a)
Koolhydraten
b)
Eiwitten
c)
Vetten
d)
Vitamines
41.

Bouwstoffen zijn

a)

Eiwitten

b)

Vetten

c)

Mineralen

d)

Water

e)

Vitamines

42.

Beschermende stoffen zijn

a)

Vitaminen

b)

Mineralen

c)

Eiwitten

d)

Water

e)

Vetten

43.

In welk product vind je de meeste vezels?

a)

Volkoren tarwemeel

b)

Speltmeel

c)

Havermeel

44.
Een soortgenoot is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
45.
In deze afbeelding zie je een:
a)
levensgemeenschap
b)
individu
c)
biotoop
d)
populatie
46.
Hoe noem je alle biotische en abiotische factoren samen?
a)
ecosysteem
b)
bioom
c)
biotoop
d)
biosfeer
47.
Hoe noem je alle biotische factoren samen.
a)
ecosysteem
b)
biotoop
c)
levensgemeenschap
d)
niche
48.
Hoe noemen we de dunne laag om de aarde waar leven op kan voorkomen?
a)
bioom
b)
ecosysteem
c)
bioom
d)
biosfeer
49.
Welke energierijke stof wordt gemaakt bij de fotosynthese?
a)
koolstofdioxide
b)
mineralen
c)
glucose
d)
zonlicht
50.
In een ecosysteem schommelen de populaties rondom een biologisch evenwicht.
a)
juist
b)
onjuist
51.
In het voorjaar van het derde jaar is er genoeg te eten en krijgen de koolmezen veel jongen.
a)
juist
b)
onjuist
52.
Het meest linker wortelstelsel is van een plant in een droog milieu.
a)
juist
b)
onjuist
53.
Door samenwerking binnen een populatie is er een grotere kans op overleving.
a)
juist
b)
onjuist
54.
Binnen een groep weet iedereen vaak zijn plek. Dit noemen we....
a)
competitie
b)
pikorde
c)
rangorde
d)
tepelorde
55.

Uit hoeveel cellen bestaat de mens ongeveer?

a)

Duizenden

b)

Miljoenen

c)

Miljarden

d)

Biljoenen

56.

Wat is de functie van de celwand? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Stevigheid

b)

Bescherming

c)

Het zorgt voor de juiste omgeving binnen de cel

d)

Het beschermd het DNA

57.

Welk orgaan heeft deze taak:

Nemen water en mineralen op uit de bodem, zetten de plant vast in de bodem.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

58.

Welk orgaan heeft deze taak:

Voor transport van stoffen en rechtop houden (stevigheid) van de plant.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

59.

Welk orgaan heeft deze taak:

Zorgen voor de voortplanting, de ontwikkeling van vruchten en zaden.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

60.

Van welke vaten is dit:

Hierdoor stroomt water met mineralen uit de wortels omhoog.

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

61.

Van welke vaten is dit:

Liggen aan de binnenkant van de vaatbundels.

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

62.

Van welke vaten is dit:

liggen aan de buitenkant van de vaatbundel

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

63.

Van welke vaten is dit:

Vervoer van water met glucose vanuit de bladeren naar de andere organen

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

64.

Je ziet hier een bladskelet. Was is dit eigenlijk?

a)

Het restant van het blad als al het bladmoes is verdwenen.

b)

Het netwerk van transportweefsel (vaten) in het blad

c)

Het netwerkje van kleine houtvezels wat stevigheid geeft aan het blad

d)

Alle antwoorden zijn goed

65.

Kijk goed naar de afbeelding. Het huidmondje van deze plant ligt bij de letter...

a)

P

b)

Q

c)

R

66.

Als een zaad gaat ontkiemen, komt ... het eerst naar buiten

a)

worteltje

b)

stengeltje

c)

bladeren

d)

zaadlobben

67.

1: Plantencellen hebben een celwand

2: Menselijke cellen hebben een celwand

a)

1 is waar, 2 is waar

b)

1 is niet waar, 2 is waar

c)

1 is waar, 2 is niet waar

d)

1 is niet waar, 2 is niet waar

68.

Bladgroenkorrels geeft het blad stevigheid

a)

Waar

b)

Niet waar

69.

Bladgroenkorrels maken:

a)

Zout

b)

Water

c)

Voedingsstoffen

d)

Urine

70.

Een slappe plant heeft:

a)

Teveel bladmoes

b)

Te veel stengels

c)

Te veel water

d)

Te weinig water

71.

Een paardenbloem is een:

a)

Houtachtige plant

b)

Kruidachtige plant

c)

Kasplant

d)

Paard

72.

Aan een houtachtige plant groeien geen bladeren

a)

Waar

b)

Niet waar

73.

Je trapt op een plant, welke is sterker?

a)

Houtachtige plant door zijn dikke celwand

b)

Kruidachtige plant door zijn vacuole

74.

In dit onderdeel van een plantencel zit een stroperige vloeistof, hierin zitten de bladgroenkorrels en de celkern:

a)

cytoplasma

b)

celvocht

c)

vacuole

d)

celspanning

75.

Dit onderdeel van een plantencel is "het vlies om het cytoplasma". Wat is de naam van dit onderdeel?

a)

celwand

b)

celmembraan

c)

celvlies

d)

celhuid

76.

Het blaasje middenin de plantencel heet

(a)  

77.

De groene bolletjes in de plantencel heten

(a)