wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

jongste ontleden, woordsoorten, werkwoordspelling

Total questions: 40

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Vul het werkwoord juist in.

t.t. worden

Het stoplicht .............groen.

a)

word

b)

wort

c)

worden

d)

wordt

2.

Wat is de persoonsvorm in de onderstaande zin?

- Espen moest zijn kamer opruimen.

a)

Espen

b)

moest

c)

zijn kamer

d)

opruimen

3.

Wat is het werkwoord in de onderstaande zin?

Benjamin leest zijn boek .

a)

Benjamin

b)

leest

c)

zijn

d)

boek

4.

In welke volgorde staat de onderstaande samengestelde zin, wat betreft hoofdzin en bijzin?

-Jente loopt langs het water, omdat ze een frisse neus wil halen.

a)

hoofdzin , hoofdzin

b)

hoofdzin, bijzin

c)

bijzin, hoofdzin

5.

Vul het werkwoord juist in.

t.t. rillen

Natascha .......... van de kou.

a)

trilt

b)

ril

c)

rilt

d)

rillen

6.

Welk woord in de onderstaande zin is een werkwoord?

De politie rolt de bende vanmiddag nog op.

a)

de politie

b)

rolt, op

c)

de bende

d)

vanmiddag

7.

Wat is de persoonsvorm in de onderstaande zin?

- Caatje gaat morgen op vakantie.

a)

Caatje

b)

gaat

c)

morgen

d)

op vakantie

8.

Welke zelfstandige naamwoorden staan in onderstaande zin?

- De directrice van de Bunders is een aardige vrouw. (3)

a)

directrice

b)

Bunders

c)

is

d)

aardige

e)

vrouw

9.

Vul je werkwoord juist in.

t.t. zijn

Piet ........ er niet op ingegaan.

a)

is

b)

ben

c)

zijn

d)

was

10.

In welke volgorde staat de onderstaande samengestelde zin, wat betreft hoofdzin en bijzin?

- Luisa plukt bloemen voor de juf, omdat ze lief is.

a)

hoofdzin, hoofdzin

b)

hoofdzin, bijzin

c)

bijzin, hoofdzin

11.

Wat is het werkwoord in de onderstaande zin?

De wond zwelt na een paar dagen een beetje op.

a)

de wond

b)

zwelt, op

c)

een paar dagen

d)

een beetje

12.

Wat is het onderwerp in de onderstaande zin?

Liselotte en Olivier kopen een ijsje.

a)

Liselotte en Olivier

b)

kopen

c)

een

d)

ijsje

13.

In welke volgorde staat de onderstaande samengestelde zin, wat betreft hoofdzin en bijzin?

- Omdat Aniek op vakantie gaat, heeft ze een nieuwe zonnebril gekocht.

a)

hoofdzin, hoofdzin

b)

hoofdzin, bijzin

c)

bijzin, hoofdzin

14.

Wat is het bijvoeglijk naamwoord in onderstaande zin?

- Baheer geeft de grote boom water.

a)

Baheer

b)

geeft

c)

grote

d)

boom

e)

water

15.

Wat is de persoonsvorm in de onderstaande zin?

- Dora aait de zeven katten.

a)

Dora

b)

aait

c)

de

d)

zeven katten

16.

Wat is het onderwerp in de onderstaande zin?

- Karlijn doet boodschappen voor haar moeder.

a)

Karlijn

b)

doet

c)

boodschappen

d)

voor haar moeder

17.

Wat is het bijvoeglijk naamwoord in onderstaande zin?

- Olle kijkt naar het populaire programma.

a)

Olle

b)

kijkt

c)

populaire

d)

programma

18.

Wat is het zelfstandig naamwoord in onderstaande zin?

-Ben gaat koekjes bakken. (2)

a)

Ben

b)

gaat

c)

koekjes

d)

bakken

19.

Wat is het onderwerp in de onderstaande zin?

- Cilou krijgt €5,- van haar opa en oma om iets lekker te gaan halen.

a)

Cilou

b)

€5,-

c)

haar opa en oma

d)

krijgt

20.

Vul het werkwoord juist in.

t.t. verwonden

De soldaat ............... zichzelf.

a)

verwondt

b)

verwont

c)

verwond

d)

verwondent

21.

Welke zelfstandige naamwoorden staan in onderstaande zin?

- In de klas werken de kinderen op de laptop. (3)

a)

klas

b)

werken

c)

kinderen

d)

laptop

e)

op

22.

Wat is het voegwoord in de zin?

- Ik ben voor niemand bang, dus kom maar op!

a)

ben

b)

niemand

c)

dus

d)

op

23.

Wat is het onderwerp in de onderstaande zin?

-  Gisteren zijn we met de hele klas naar het museum geweest.

a)

gisteren

b)

zijn, geweest

c)

we

d)

het museum

24.

Wat is de persoonsvorm in de onderstaande zin?

- Milan maakt een schilderij.

a)

Milan

b)

maakt

c)

een

d)

schilderij

25.

In welke volgorde staat de onderstaande samengestelde zin, wat betreft hoofdzin en bijzin?

- Hein springt de auto uit, omdat hij haast heeft.

a)

hoofdzin, hoofdzin

b)

hoofdzin, bijzin

c)

bijzin, hoofdzin

26.

Wat zijn de werkwoorden in de onderstaande zin?

Finn melkt de koeien en gaat weer een dutje doen.

a)

Finn

b)

melkt

c)

koeien

d)

gaat

e)

doen

27.

Wat is het zelfstandig naamwoord van de onderstaande zin?

- Tot mijn schrik verhuist Sam naar Utrecht. (3)

a)

mijn

b)

schrik

c)

verhuist

d)

Sam

e)

Utrecht

28.

Wat is het bijvoeglijk naamwoord in onderstaande zin?

- Philippe trekt zijn blauwe jas aan.

a)

Philippe

b)

trekt

c)

blauwe

d)

jas

29.

In welke volgorde staat de onderstaande samengestelde zin, wat betreft hoofdzin en bijzin?

- Thijmen kwam te laat, omdat de treinen niet op tijd reden.

a)

hoofdzin, hoofdzin

b)

hoofdzin, bijzin

c)

bijzin, hoofdzin

30.

Waar verwijst het onderstreepte woord in onderstaande zin naar?

- Waar heb je het zakje snoep neergelegd, dat Beau gisteren heeft gekocht?

a)

zakje snoep

b)

gisteren

c)

Beau

31.

Wat is het bijvoeglijk naamwoord in onderstaande zin?

- De klas schrikt van het harde geluid.

a)

de klas

b)

schrikt

c)

harde

d)

geluid

32.

Wat is het bijvoeglijk naamwoord in onderstaande zin?

- De Bunders is de gezelligste school van Oisterwijk.

a)

de Bunders

b)

gezelligste

c)

school

d)

Oisterwijk

33.

Vul het werkwoord juist in.

t.t. snoeien

Vader ............... de bomen.

a)

snoeid

b)

snoei

c)

snoeit

d)

snoeien

34.

Wat is het onderwerp in de onderstaande zin?

- De hongerige kip eet tien wormen.

a)

de hongerige kip

b)

eet

c)

tien wormen

35.

Wat is de persoonsvorm in de onderstaande zin?

- Floor en Roos spelen verstoppertje.

a)

Floor en Roos

b)

spelen

c)

verstoppertje

36.

Welke woorden zijn lidwoorden?

a)

de

b)

maar

c)

een

d)

het

e)

op

37.

Wat is het voegwoord in de zin?

- Ik doe er niet aan mee, omdat ik het zaakje niet vertrouw.

a)

aan

b)

mee

c)

omdat

d)

niet

38.

Waar verwijst het onderstreepte woord in de onderstaande zin naar?

- De zonnebril van Mijntje is kapot, want Taeke heeft hem per ongeluk laten vallen.

a)

de zonnebril

b)

Mijntje

c)

Taeke

39.

Wat is het zelfstandig naamwoord in onderstaande zin?

- Valentine redde een straatkatje en verzorgde het dier goed. (3)

a)

Valentine

b)

redde

c)

straatkatje

d)

verzorgde

e)

dier

40.

Wat zijn het werkwoorden in de onderstaande zin?

Na een dag hard werken, rustte Daan even uit.

a)

een dag

b)

werken

c)

rustte, uit

d)

Daan

e)

even