Font size
Worksheetsww spelling
Total questions: 20
Worksheet time: 20mins
Ik (leiden) een groep rond
(a)
Jij (schaken) al jaren.
(a)
(waarderen) jij je collega's?
(a)
Jij (kajakken) elk weekend.
(a)
ik (verliezen) nooit een wedstrijd
(a)
Donderdagochtend (komen) veel kinderen te laat op school.
(a)
Het (sneeuwen) nooit in nederland
(a)
Hij (houden) heel erg van sneeuw.
(a)
Vandaag hagelen het ook heel even.
(a)
Morgen (willen) ik graag gaan skiën.
(a)
(willen) jij morgen ook skiën?
(a)
De minister (beantwoorden) zijn vragen onvoldoende.
(a)
Robert (mailen) elke dag naar de leidinggevende
(a)
Jij (lopen) al weken achter
(a)
Wij (luisteren) nooit naar de docent
(a)
Hij (delven) goud voor zijn werk
(a)
(Opblazen) Jolijn de ballon op?
(a)
Rik (strijden) voor zijn gelijk
(a)
(verbinden) jij die wond voor mij?
(a)
Het schip (zinken) langzaam
(a)
