wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Campus 2: Les 3: Werkwoordspelling: OTT, IMP, OTT, VD

Total questions: 40

Worksheet time: 40mins

Name
Class
Date
1.

Ik heb de hele dag naar mijn boek (zoeken).

(a)  

2.

Vroeger (braden) oma het vlees in die grote pan.

(a)  

3.

Meester Tommy heeft 1 muur (schilderen).

(a)  

4.

Nu (telefoneren) papa met de directeur.

(a)  

5.

Ik heb goed naar mevrouw (luisteren).

(a)  

6.

Vandaag (besturen) hij voor de eerste keer het land.

(a)  

7.

Heb jij dat bericht (sturen)?

(a)  

8.

Mijn huiswerk was snel (verbeteren).

(a)  

9.

Tijdens de marathon van Antwerpen (zweten) de kandidaten enorm door de hitte en de inspanningen.

(a)  

10.

Het broertje van Jochen heeft de tekening (verscheuren).

(a)  

11.

Jules (verzamelen) telefoonnummers van mooie meisjes.

(a)  

12.

Mijn klasgenoot knikt. Ik vraag me nu wel af: (geloven) hij dat verhaal echt?

(a)  

13.

De dokter (onderzoeken) mij vorige week.

(a)  

14.

Het varkentje heeft de hele nacht (knorren).

(a)  

15.

'Straks (snijden) je in je vinger!' roept mama verschikt.

(a)  

16.

Toen de man zijn hand in de kooi stak, (sissen) de slang boos.

(a)  

17.

De dief heeft de rechter (misleiden).

(a)  

18.

Het (gebeuren) dit jaar niet zo vaak dat ik een 10/10 haal voor wiskunde.

(a)  

19.

Wij (uiten) gisteren onze meningen over deze situatie.

(a)  

20.

De burgemeester (verbieden) vorig weekend verkoop van alcohol in nachtwinkels.

(a)  

21.

Waarom (vinden) je broer mij niet leuk?

(a)  

22.

Wij hebben alle woorden correct (spellen).

(a)  

23.

Waaraan heeft hij al het geld (spenderen)?

(a)  

24.

Ik (vinden) het echt niet leuk dat ik op dit moment extra taken moeten maken.

(a)  

25.

Wie heeft de tapijten (reinigen)?

(a)  

26.

De straf (worden) je kwijtgescholden.

(a)  

27.

(Bloeden) je vinger nu nog steeds?

(a)  

28.

De oplichter had zich een dure villa met zwembad (veroorloven).

(a)  

29.

Hij (trachten) haar gisteren heel de dag telefonisch te bereiken.

(a)  

30.

Als de brand zich (uitbreiden), gaat de hele wijk in vlammen op.

(a)  

31.

Ze heeft de bestelling al (annuleren).

(a)  

32.

(Verspreiden) de roddel niet!

(a)  

33.

(Houden) dit voor jezelf.

(a)  

34.

(Vinden) jij deze quiz nog moeilijk?

(a)  

35.

(Spellen) uw naam eens a.u.b.

(a)  

36.

Dat cadeau (verwachten) ik vorige keer niet.

(a)  

37.

De dokter heeft deze patiënten al (behandelen).

(a)  

38.

(Winden) je niet zo op!

(a)  

39.

De cake (rijzen) gisterenavond in de oven.

(a)  

40.

Vorige nacht (vriezen) het.

(a)