wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

lj 3 herh gramm H3

Total questions: 38

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Uw moeder komt vanavond ook.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

2.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Ik heb jouw broer ook uitgenodigd.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

3.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Zal ik jou even helpen?

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

4.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Is dat schrift van jou?

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

5.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Alex vindt jouw recept toch beter.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

6.

Welk woord is het bezittelijk voornaamwoord?

Dit is mijn kamer.

a)

Dit

b)

mijn

c)

kamer

7.

Welk woord is het bezittelijk voornaamwoord?

Dat zijn jouw boeken.

a)

Dat

b)

zijn

c)

jouw

8.

Welk woord is het bezittelijk voornaamwoord?

Waar staat jullie huis?

a)

Waar

b)

jullie

c)

huis

9.

Welk woord is het bezittelijk voornaamwoord?

Je(1) hebt de spelcomputer van je(2) broer geleend.

a)

Je(1)

b)

spelcomputer

c)

je(2)

10.

Welk woord is het bezittelijk voornaamwoord?

De taxi bracht ons (1) naar ons (2) hotel.

a)

bracht

b)

ons (1)

c)

ons (2)

11.

Welk woord is het bezittelijk voornaamwoord?

Jullie (1) verhaal werd door jullie (2) met veel enthousiasme verteld.

a)

Jullie (1)

b)

jullie (2)

c)

enthousiasme

12.

Het is jouw/jou fiets.

a)

jouw

b)

jou

13.

Een bezittelijk voornaamwoord staat altijd voor een bezit.

a)

nee

b)

ja

14.

Dit is ons besluit.

a)

ons is een bezittelijk voornaamwoord

b)

ons is een persoonlijk voornaamwoord

15.

Dit besluit is van hem

a)

hem is een bezittelijk voornaamwoord

b)

hem is een persoonlijk voornaamwoord

16.

Die broer van jou geeft mij altijd zijn tijdschriften.

a)

persoonlijk, bezittelijk, bezittelijk

b)

bezittelijk, persoonlijk, bezittelijk

c)

persoonlijk, persoonlijk, bezittelijk

d)

bezittelijk, persoonlijk, persoonlijk

17.

Groep 5 heeft tweeëndertig leerlingen

Wat voor soort telwoord is het onderstreepte woord?

a)

Hoofdtelwoord

b)

Rangtelwoord

18.

Donderdag gaat groep 5 voor de derde keer gymmen.

Wat voor soort telwoord is het onderstreepte woord?

a)

Hoofdtelwoord

b)

Rangtelwoord

19.

Typ het hoofdtelwoord in:

De Vuursteen heeft meer dan vijfentwintig juffen en meesters

(a)  

20.

Vandaag wordt het zevenentwintig graden.

Wat voor soort telwoord is het onderstreepte woord?

a)

Hoofdtelwoord

b)

Rangtelwoord

21.

Welk woord is hier een telwoord:

Met topografie krijgen we voor de eerste keer een toets

a)

Topografie

b)

keer

c)

eerste

d)

toets

22.

Welk woord is hier een telwoord:

Deze week hebben we in groep 6 veel zieke kinderen.

a)

Deze

b)

week

c)

veel

d)

kinderen

23.

Wat is in deze zin het rangtelwoord ( let op: Deze is lastig):

We krijgen in groep 6 voor de eerste keer 3 vakken huiswerk.

(a)  

24.

Noem alle telwoorden uit deze zin:

We krijgen in groep 6 voor de eerste keer 3 vakken huiswerk.

a)

6

b)

6 en 3

c)

eerste

d)

eerste, 6 en 3

25.

Kan ik meerdere hulpwerkwoorden tegenkomen in een zin?

a)

ja

b)

nee

26.

In de zin 'Hij heeft tijdens de toets gespiekt' is...

a)

heeft een HWW, gespiekt een HWW.

b)

heeft een ZWW, gespiekt een HWW.

c)

heeft een HWW, gespiekt een ZWW.

d)

heeft een ZWW, gespiekt een ZWW.

27.

De resultaten van dergelijke onderzoeken geven het publiek vertrouwen. Hoeveel hulpwerkwoorden telt deze zin?

a)

3

b)

2

c)

1

d)

0

28.

Benoem hww en zww.

Ze heeft vanmorgen haar huiswerk gemaakt.

a)

hww: heeft

zww: gemaakt

b)

hww: -

zww: gemaakt

c)

hww: heeft

zww: -

d)

hww: gemaakt

zww: heeft

29.

Benoem hww en zww.

Dit was al de derde keer deze maand.

a)

hww: -

zww: was

b)

hww: was

zww: -

c)

hww: maand

zww: dit

d)

hww: -

zww: maand

30.

Benoem hww en zww.

In Magister stond hierover een opmerking.

a)

hww: stond

zww: opmerking

b)

hww: -

zww: stond

c)

hww: opmerking

zww: stond

d)

hww: stond

zww: -

31.

Benoem hww en zww.

Morgen moet hij een uur nablijven.

a)

hww: nablijven

zww: moet

b)

hww: moet

zww: -

c)

hww: moet

zww: nablijven

d)

hww: -

zww: nablijven

32.

Benoem hww en zww.

Liever had hij met zijn vrienden iets afgesproken.

a)

hww: had

zww: afgesproken

b)

hww: had

zww: -

c)

hww: afgesproken

zww: -

d)

hww: afgesproken

zww: had

33.

Benoem hww en zww.

Dat zou hij natuurlijk daarna nog kunnen doen.

a)

hww: doen

zww: zou

b)

hww: kunnen doen

zww: zou

c)

hww: zou kunnen

zww: doen

d)

hww: zou

zww: kunnen doen

34.

Benoem hww en zww.

Maar dan moet hij nu wel even snel een appje sturen.

a)

hww: moet

zww: sturen

b)

hww: moet snel

zww: sturen

c)

hww: -

zww: moet sturen

d)

hww: sturen

zww: moet

35.

Benoem het rode woord.

Die regel is sinds kort op school ingesteld.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

36.

Benoem het rode woord.

Bij de meeste leerlingen zit de telefoon nog gewoon in hun tas.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

37.

Benoem het rode woord.

Een aantal leerlingen is betrapt.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

38.

Benoem het rode woord.

Veel leerlingen moesten vandaag nakomen.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord