wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H4 eco Crisis

Total questions: 21

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Tim krijgt zijn salaris op zijn bankrekening. Welke functie van geld is hier sprake?

a)

Ruilmiddel

b)

Spaarmiddel

c)

rekenmiddel

2.

De dagwaarde van een auto is € 23.500. Welke functie van geld is hier sprake?

a)

Ruilmiddel

b)

Spaarmiddel

c)

rekenmiddel

3.

Henk koopt een tweedehands tafel. Welke functie van geld is hier sprake?

a)

Ruilmiddel

b)

Spaarmiddel

c)

rekenmiddel

4.

Een hogere rente zal leiden tot...

a)

Meer uitgaven

b)

Meer lenen

c)

Minder lenen

d)

Minder sparen

5.

De nominale waarde van een € 10 biljet is

a)

ongeveer 20 cent

b)

€ 10

c)

Hangt af van de inflatie

6.

In een euromunt zit drie eurocent aan koper, nikkel en zink. Dit is dus de ... waarde.

a)

nominale

b)

specifieke

c)

intrinsieke

7.

Swapfiets koopt 400 nieuwe fietsen. Dit is:

a)

Consumeren

b)

Investeren

8.

Tom kan € 50.000 investeren, waarbij hij een rendement van € 2.500 per jaar verwacht. Bij de bank krijgt hij 2% rente. Wat zijn zijn opofferingskosten als hij kiest voor de investering?

(a)  

9.

Waarbij zijn transactiekosten hoger?

a)

Ruil in natura

b)

indirecte ruil

c)

Maakt niet uit

10.

Welk voorbeeld is met chartaal geld?

a)

Je betaald een tikkie

b)

Je pint bij de supermarkt

c)

Je krijgt wisselgeld terug in de winkel

11.

Door inflatie verandert...

a)

de nominale waarde: geld wordt minder waard

b)

de intrinsieke waarde: de materialen worden duurder

c)

beide niet, deze staan vast.

d)

Beide

12.

Iemand kent waardes toe aan de volgende producten. Leren 3, gamen 7, werken 9. Hij kiest voor werken, want dat heeft de hoogste waarde. De opofferingskosten zijn:

(a)  

13.

Wat is een vrij goed?

a)

Kraanwater bij je thuis

b)

gras in de wei

c)

regen in de woestijn

d)

Een plank hout drijvend op zee

14.

Wat is geen voorbeeld van transactiekosten?

a)

Verschillende winkels bezoeken op de Herestraat

b)

Het passen van een spijkerbroek

c)

Contactloos betalen voor de broek.

15.

De waarde van Bitcoin zit net onder de € 20.000. Van welke functie van geld is hier sprake?

a)

Ruilmiddel

b)

Spaarmiddel

c)

rekenmiddel

16.

Je laadt je ov-chipkaart op. Dit is een voorbeeld van ....

a)

Consumeren

b)

Investeren

c)

Beide

17.

Tirza fietst een half uur verder om € 10 te besparen op haar nieuwe jas.

Wat zijn haar opofferingskosten voor een uur tijd?

a)

Minimaal € 20

b)

Maximaal € 20

c)

Maximaal € 10

d)

Kun je niet weten

18.

Als mensen hoge inflatie verwachten, gaan ze...

a)

nieuwe aankopen uitstellen

b)

loonsverhogingen vragen

c)

meer sparen

19.

Welke eigenschap maakt iets niet geschikt als ruilmiddel/geld?

a)

Makkelijk deelbaar

b)

Moeilijk na te maken

c)

Bederfelijk

d)

Hoge waarde bij klein volume

20.

Wat hoort niet tot de liquide middelen van een bank?

a)

Munten

b)

Biljetten

c)

Spaartegoed

21.

Een bank heeft €8 miljard aan liquide middelen. De rekening courantverplichtingen zijn € 70 miljard.

Bereken het liquiditeitspercentage

(a)