wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Organisatieniveaus

Total questions: 55

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

Er zijn 4 typen cellen. Welke cel is een plantaardige cel?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

d)

nummer 4

2.

Een soort is een groep zelfde individuen. In welk organisatieniveau hoort het begrip "soort" ?

a)

orgaan

b)

populatie

c)

organisme

d)

ecosysteem

3.

Op welk organisatieniveau ontstaat de eigenschap "lopen"?

a)

orgaan

b)

populatie

c)

organisme

d)

ecosysteem

4.

Milieuproblemen zijn op dit moment groot. In welk(e) organisatieniveau(s) zijn deze actueel?

a)

populatie

b)

populatie en ecosysteem

c)

organisme en populatie

d)

ecosysteem en biosfeer

e)

ecosysteem

5.

Kijk goed naar de afbeelding. Wat is nummer 9?

a)

een organisme

b)

een orgaan

c)

een weefsel

d)

een cel

e)

een organenstelsel

6.

Kijk goed naar de afbeelding. Wat is nummer 1?

a)

een organenstelsel

b)

een orgaan

c)

een weefsel

d)

een cel

e)

een organisme

7.

Kijk goed naar de afbeelding. Wat is nummer 6?

a)

een organisme

b)

een orgaan

c)

een weefsel

d)

een cel

e)

een organenstelsel

8.

Kijk goed naar de afbeelding. Wat is nummer 15?

a)

een organisme

b)

een orgaan

c)

een weefsel

d)

een cel

e)

een organenstelsel

9.

Kijk goed naar de afbeelding. Wat is nummer 5?

a)

een organenstelsel

b)

een orgaan

c)

een weefsel

d)

een cel

e)

een organisme

10.

Ecologie kun je bestuderen op verschillende niveaus. In welk rijtje staan ze op de juiste manier van klein naar groot?

a)

Individu - levensgemeenschap - populatie - ecosysteem

b)

Individu - populatie - ecosysteem - levensgemeenschap

c)

Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem

d)

Populatie - individu - levensgemeenschap - ecosysteem

11.

Op welk organisatieniveau onderzoek je in de biologie als je op het niveau van de foto aan het onderzoeken bent?

a)

Molecuul

b)

Cel

c)

Weefsel

d)

Orgaan

12.

Wanneer je een skelet van een kip bestudeert ben je bezig op het niveau van een.,,,

a)

Weefsel

b)

Orgaan

c)

Orgaanstelsel

d)

Organisme

13.
Heeft een bacterie een celkern?
a)
Ja
b)
Nee
14.

Wat zijn organellen?

a)

Het zelfde als een orgaan, zoals een lever of hart

b)

Dit zijn de organen van een plant

c)

een groep cellen met dezelfde vorm en functie

d)

de delen van een cel die een eigen functie hebben

15.

Alle levende wezens noem je....

a)

Leerlingen

b)

Organismen

c)

Individuen

d)

levenskenmerken

16.

Een _______ is een deel van een organisme met een of meerdere functies.

a)

orgaan

b)

orgaanstelsel

c)

cellen

d)

weefsel

17.

Organen die samenwerken noem je een...

a)

orgaanstelsel

b)

Organisatieniveau

c)

Organen

d)

Weefsels

18.

Een groep cellen bij elkaar met dezelfde vorm en functie noem je een....

a)

orgaan

b)

weefsel

c)

orgaanstelsel

d)

groep cellen

19.

Wat is het kleinste organisatieniveau?

a)

organisme

b)

orgaanstelsel

c)

orgaan

d)

weefsel

e)

cel

20.

Wat is het grootste organisatieniveau?

a)

organisme

b)

orgaanstelsel

c)

orgaan

d)

weefsel

e)

cel

21.

Zie je in de afbeelding één of meerdere weefsels?

a)

één weefsel

b)

meerdere weefsels

22.

Dit pantoffeldiertje bestaat uit één cel, mag je dit een organisme noemen?

a)

Ja

b)

Nee

23.

Hoe heet het organisatieniveau dat kleiner is dan een orgaan en groter dan een cel?

(a)  

24.
Temperatuur
a)
Biotisch
b)
Abiotisch
25.
Neerslag
a)
Biotisch
b)
Abiotisch
26.
Wind
a)
Biotisch
b)
Abiotisch
27.
Soortgenoten
a)
Biotisch
b)
Abiotisch
28.
Bodemvochtigheid
a)
Biotisch
b)
Abiotisch
29.
Algen
a)
Biotisch
b)
Abiotisch
30.
Grondsoort
a)
Biotisch
b)
Abiotisch
31.

Is het een biotische of abiotische factor?

a)

Biotische factor

b)

Abiotische factor

32.

Is het een biotische of abiotische factor?

a)

Biotische factor

b)

Abiotische factor

33.

Is het een biotische of abiotische factor?

a)

Biotische factor

b)

Abiotische factor

34.

Tot welk niveau van de ecologie behoort een hert in een bos?

a)

individu

b)

populatie

c)

ecosysteem

d)

levensgemeenschap

35.

Populaties maken deel uit van een ecosysteem.

a)

juist

b)

onjuist

36.

Het aantal individuen van een bepaalde soort die samen leven in een bepaald gebied, noemen we ook wel een...….

a)

ecosysteem

b)

populatie

c)

samenleving

d)

levensgemeenschap

37.

In welk antwoord staan alleen voorbeelden van abiotische factoren?

a)

licht, lucht en regen

b)

roofdieren, voedsel en soortgenoten

c)

temperatuur, water en voedsel

d)

wind, nestgelegenheid en bodem

38.

populaties van verschillende soorten samen noem je

a)

een individu

b)

een populatie

c)

een levensgemeenschap

d)

een biotoop

e)

een ecosysteem

39.
Wat is een voorbeeld van een populatie?
a)
Alle konijnen op Schiermonnikoog
b)
De beplanting in een naaldbos
c)
Alle organismen in een vijver
d)
Een leeuwin met twee welpen op de savanne
40.

Deze organen horen bij...

a)

het bloedvatenstelsel

b)

het spierstelsel

c)

het ademhalingsstelsel

d)

het verteringsstelsel

41.

In welke optie staan de organisatieniveau's in de juiste volgorde van KLEIN naar GROOT?

a)

molecuul-cel-organisme-populatie-biosfeer-ecosysteem

b)

molecuul-orgaan-organisme-biosfeer-populatie-ecosysteem

c)

biosfeer-ecosysteem-organisme-orgaan-molecuul-cel

d)

molecuul-cel-orgaan-organisme-populatie-ecosysteem-biosfeer

42.
Een prooidier is een abiotische factor.
a)
Juist
b)
Onjuist
43.
In deze afbeelding zie je een:
a)
levensgemeenschap
b)
individu
c)
biotoop
d)
populatie
44.
Hoe noem je alle biotische en abiotische factoren samen?
a)
ecosysteem
b)
bioom
c)
biotoop
d)
biosfeer
45.
Hoe noem je alle biotische factoren samen.
a)
ecosysteem
b)
biotoop
c)
levensgemeenschap
d)
niche
46.
Hoe noemen we de dunne laag om de aarde waar leven op kan voorkomen?
a)
bioom
b)
ecosysteem
c)
bioom
d)
biosfeer
47.

Wat is een organisme?

a)

Iets wat beweegt

b)

Iets wat leeft

c)

Iets wat groeit

48.

Klik de levenskenmerken aan.

a)

Ademhalen

b)

Stil liggen

c)

Waarnemen

d)

Voeden

e)

Vallen

49.

Als iets geen levenskenmerken meer heeft is het (a)   .

50.

Als iets nooit levenskenmerken heeft gehad is het (a)   .

51.

Groeien is een levenskenmerk

a)

Waar

b)

Niet waar

52.

Er zijn 6 levenskenmerken.

a)

Waar

b)

Niet waar

53.

Stelling: Alle organismen leven

a)

Juist

b)

Onjuist

54.

Een omgevallen boom is...

a)

Dood

b)

Levend

c)

Levenloos

55.

Water is..

a)

Levenloos

b)

Dood

c)

Levend