Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhalen erfelijkheid klas 3

Total questions: 53

Worksheet time: 27mins

Name
Class
Date
1.

In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir en zijn moeder. Heeft het jonge dier hetzelfde fenotype als het volwassen dier?

a)

juist

b)

onjuist

2.

In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir en zijn moeder. Heeft het jonge dier hetzelfde genotype als het volwassen dier?

a)

juist

b)

onjuist

3.

Sara heeft een broertje Thijs en een zusje Anna. Hebben Sara, Thijs en Anna hetzelfde DNA?

a)

juist

b)

onjuist

4.

Hoeveel chromosomen heeft een cel van de maagwand?

a)

2

b)

23

c)

46

d)

Dat kun je niet weten

5.

Verandert bij celdeling de informatie voor erfelijke eigenschappen?

a)

ja

b)

nee

6.

John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor dik geworden. Is er bij John het fenotype veranderd?

a)

Zeker

b)

nee, dat verandert nooit

7.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

bij de vorming van de eicel

b)

bij de bevruchting

c)

bij de geboorte

8.

Alle zichtbare eigenschappen van een organisme noemen we

a)

Fenotype

b)

Genotype

9.

Geslachtschromosomen bepalen of je man bent of vrouw. Welke combinatie is juist.

a)

XY = vrouw

b)

XY = man

10.

Hoeveel genen heb je voor een eigenschap?

a)

1

b)

2

c)

23

d)

46

11.

Als de erfelijke informatie voor een eigenschap hetzelfde is ben je

a)

Homozygoot

b)

Heterozygoot

12.

Een dominant gen komt altijd tot uiting

a)

Juist

b)

Onjuist

13.

Een eeneiige tweeling ontstaat uit....

a)

Een eicel en een zaadcel

b)

Een eicel en twee zaadcellen

c)

Twee eicellen en een zaadcel

d)

Twee eicellen en twee zaadcellen

14.

Dit is een eeneiige tweeling. Welke uitspraak klopt?

a)

Genotype en fenotype zijn gelijk

b)

Genotype en fenotype zijn ongelijk

c)

Genotype is gelijk, fenotype is niet gelijk

d)

Genotype is ongelijk, fenotype is gelijk

15.
Bij maïsplanten komt een dominant gen R voor dat er voor zorgt dat maïskorrels heel hard worden. Een plant met genotype Rr wordt gekruisd met een andere plant met genotype Rr.
Hoeveel procent de maïsplanten in de F1 heeft harde zaden?
a)
25%
b)
50%
c)
75%
d)
82,2%
16.
Je ziet in de afbeelding een krokusknol met enkele scheuten. De scheuten kunnen van de knol worden gehaald en verder groeien als afzonderlijke planten.
Welke bewering over de jonge planten is juist?
a)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
b)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
c)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
d)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
17.
De Indische wandelende tak (zie de afbeelding) is een insect dat je als huisdier kunt houden. Een volwassen vrouwtje leeft enkele maanden en legt elke dag twee of drie eieren. De eieren hoeven niet te worden bevrucht. Uit elk eitje ontwikkelt zich een vrouwtje dat precies op de moeder lijkt.
Van welke vorm van voortplanting is hier sprake?
a)
Geslachtelijke voortplanting
b)
Ongeslachtelijke voortplanting
18.
Zaadcellen worden gevormd door ?
a)
Meiose 
b)
Mitose 
c)
Gewone celdeling 
19.
Hoe wordt het genoemd al allen dieren met bepaalde eigenschappen worden gebruikt om mee te fokken?
a)
Kunstmatigselectie 
b)
Veredeling
c)
Ongeslachtelijke voortplanting 
20.

Wat voor DNA zit er in je oogcellen?

a)

alleen DNA voor de kenmerken van het oog

b)

Dat ligt er aan waar in het oog het ligt

c)

Dat kan je niet weten

d)

Alle informatie van je DNA

21.

Een gen is

a)

alle erfelijke eigenschappen

b)

1 erfelijke eigenschap

c)

al het DNA

22.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

23.

Een recessieve eigenschap schrijven we als:

a)

kleine letter

b)

hoofdletter

24.

een eigenschap opgeschreven als Dd

a)

homozygoot dominant

b)

homozygoot recessief

c)

heterozygoot

d)

heterozygoot dominant

25.

Een wipneus is dominant over rechte neus.

Een homozygote dominante moeder, en een homozygote recessieve vader krijgen een kindje

a)

dit kindje heeft een rechte neus

b)

dit kindje heeft een wipneus

c)

je weet niet wat dit kindje voor neus heeft

26.
Hoe heet een organisme die voor een bepaalde eigenschap identieke allelen heeft?
a)
Een bacterie
b)
Een recessief organisme
c)
Een homozygoot organisme
d)
Een heterozygoot organisme
27.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Dna

d)

Milieu

28.

Een recessief allel komt tot uiting wanneer

a)

Hij samen met een dominant allel staat

b)

Hij homozygoot voorkomt

c)

Hij heterozygoot voorkomt

d)

hij komt nooit tot uiting

29.

Wanneer een dier BB voor een eigenschap heeft dan is hij

a)

Homozygoot Dominant

b)

Heterozygoot Recessief

c)

Homozygoot recessief

d)

Heterozygoot Recessief

30.
Kleurenblindheid is een recessieve aandoening. We kunnen dan zeggen dat kleurenblindheid ontstaat bij mensen met:
a)
Twee zwakke genen (a-a)
b)
Twee sterke genen (A-A)
c)
Twee ongelijke genen (A-a)
d)
Als hij altijd ziek wordt
31.
Een buldog en een terriër werden gekruist. De fokkers kozen uit de nakomelingen alleen hondjes met bepaalde eigenschappen. Met die hondjes werd verder gefokt. Zo ontstond een nieuw ras: de Staffordshire bulterriër (zie de afbeelding).
Hoe wordt het genoemd als alleen dieren met bepaalde eigenschappen worden gebruikt om ermee te fokken?
a)
Kunstmatige selectie
b)
Veredeling
c)
Ongeslachtelijke voortplanting
d)
Perfectioneren
32.
Je ziet in de afbeelding een tomatenplant met enkele tomaten. In de tomaten zitten zaden. Uit de zaden kunnen zich nieuwe planten ontwikkelen.
Wat is juist?
a)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
b)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
c)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
d)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
33.
Goed groeiende stukjes van de plant, vaak zogenaamde groeipunten, worden in watjes gelegd. De bedoeling is dat er nieuwe planten uit groeien. Over welke vorm van ongeslachtelijke voortplanting hebben we het hier?
a)
Stekken
b)
Weefselkweek
c)
Uitloperkweek
d)
Veredeling
34.

In de afbeelding hieronder is de stamboom van een familie gegeven waarin de ziekte agammaglobulinemie voorkomt. Lijders aan deze erfelijke ziekte zijn verhoogd vatbaar voor infecties. Het gen dat deze ziekte veroorzaakt is .....

a)

dominant

b)

recessief

c)

Niet af te lijden

35.

Bij honden is het gen voor krullend haar (E) dominant over dat voor sluik haar (e). Iemand wil zoveel mogelijk honden fokken met sluik haar. Met welke van onderstaande kruisingen is de kans op nakomelingen met sluik haar het grootst?

a)

EE x ee

b)

Ee x Ee

c)

Ee x ee

d)

EE x Ee

36.

Een merel (Bb) heeft een wit vlekje op zijn vleugel. Deze merel krijgt jongen met een vrouwtje (bb) zonder witte vlek. Hoe groot is de kans dat het eerste kuiken wat geboren wordt een wit vlekje op zijn veren heeft?

a)

25%

b)

50%

c)

75%

d)

100%

37.

Welke bewering is juist?

a)

het fenotype is de som van de zichtbare eigenschappen van het genotype plus de invloed van het milieu

b)

het fenotype is de som van de zichtbare eigenschappen van het genotype zonder de invloed van het milieu

c)

het genotype is de som van de zichtbare eigenschappen van het fenotype zonder de invloed van het milieu

d)

het genotype is de som van de zichtbare eigenschappen van het fenotype plus de invloed van het milieu

38.

Twee uitspraken:


Menno zegt: De celkern van een levercel bevat de complete informatie voor al je erfelijke eigenschappen.

Annie zegt: Een gen bevat de informatie voor meerdere erfelijke eigenschappen'


Wie heeft gelijk?

a)

Beide gelijk

b)

Menno heeft gelijk

c)

Annie heeft gelijk

d)

Geen van beide heeft gelijk

39.

Is dit karyogram (chromosoomportret) van een man of een vrouw?

a)

man

b)

vrouw

40.

Zet in de juiste volgorde van klein naar groot

a)

DNA - gen - chromsoom - cel

b)

gen - DNA - chromosoom - cel

c)

gen - chromosoom - DNA - cel

d)

cel - chromosoom - DNA - gen

41.

Wat is een intermediair fenotype?

a)

Bij een intermediair fenotype zijn de genotypen altijd homozygoot recessief.

b)

Bij een intermediair fenotype zijn de genotypen altijd homozygoot dominant.

c)

Een intermediair fenotype komt alleen voor bij bloemen.

d)

Bij een intermediair fenotype zijn de genotypen altijd heterozygoot.

42.

Als een kruisbessenplant ontstaat door een afgesneden tak in de grond te poten (een stek), dan is het genotype van deze nieuwe plant (A)

de plant waar de tak van is afgesneden.


Wat moet je invullen op A?

a)

gelijk aan

b)

verschillend van

43.

Bij kruisbessenstruiken vindt bestuiving plaats van de stamper door stuifmeel van een andere plant. Daarna volgt bevruchting en ontstaat er een groot aantal zaadjes.

Wat is hierbij het resultaat als die zaadjes zijn uitgegroeid tot plantjes? Er zijn twee antwoorden goed.

a)

De plantjes hebben allemaal hetzelfde genotype.

b)

De plantjes hebben allemaal hetzelfde fenotype.

c)

De plantjes verschillen in genotypen.

d)

De plantjes verschillen in fenotypen.

44.

Kruisbessen

Bij kruisbessenstruiken bevatten de kruisbessen enkele zaden per bes. Zaden uit één bes van een kruisbes worden door een merel uitgepoept. Twee van deze zaden ontkiemen.

Jorid zegt dat de cellen van het zaad en van de kruisbessenplant die daaruit groeit, hetzelfde genotype en hetzelfde fenotype hebben.

Heeft Jorid gelijk?

a)

ja

b)

nee

45.

Een stukje DNA dat codeert voor/leidt tot een bepaalde eigenschap heet een ...

(a)  

46.
Jesse's haar heeft zwart haar. Dit heeft hij blauw geverfd. Wat is zijn genotype?
a)
zwart 
b)
blauw
c)
zwart en blauw
d)
beide kleuren niet
47.

Trisomie betekent

a)

Dat iemand het Syndroom van Down heeft

b)

Dat iemand van een chromosomen paar drie chromosomen heeft

c)

De benaming voor een chromosomenpaar

d)

De wetenschappelijke naam voor het Syndroom van Down

48.

Mutatie wordt veroorzaakt door

a)

Natuurlijke processen, chemische stoffen, straling

b)

Chemische stoffen, straling

c)

Over de kaloot wandelen

49.

Wat zijn manieren om erfelijkheidsonderzoek toe te passen voor de geboorte

a)

Echoscopie

b)

Vruchtwaterpunctie

c)

Bloedonderzoek

d)

Vlokkentest

e)

Karyogram

50.

Wat wordt er bedoeld met een verzamelnaam voor technieken waarbij organismen worden gebruikt om producten te maken voor de mens?

a)

genetische modificatie

b)

transgeen

c)

recombinant-DNA-techniek

d)

biotechnologie

51.

Hoe heet de techniek waarmee erfelijke eigenschappen van organismen met behulp van diverse technieken worden veranderd?

a)

biotechnologie

b)

recombinant-DNA-techniek

c)

genetische modificatie

d)

transgeen

52.

Hoe heet het als de mens met behulp van technieken het genotype van andere organismen verandert?

a)

biotechnologie

b)

recombinant-DNA-techniek

c)

transgeen

d)

genetische modificatie

53.

Hoe noem je een genetisch gemodificeerd organisme?

(a)