wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Haben/sein + zwakke ww + modale ww (tt)

Total questions: 58

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Hallo, wer ........ du? (sein)

a)

ist

b)

bist

c)

sind

d)

seid

2.

Mein Opa ......... 60 Jahre alt. (sein)

a)

hat

b)

ist

c)

bist

d)

sein

3.

Er (a)   hunger. (haben)

4.

Wir .......... gestern in den Urlaub gefahren.

a)

bin

b)

seid

c)

sein

d)

sind

5.

Wir ................. traurig weil wir das Spiel verloren ............. (sein, haben)

a)

sein, hat

b)

sind, hat

c)

sind, hast

d)

sind, haben

6.

(a)   ihr gute Freunde? (sein)

7.

Du ............ eine Schwester. (haben)

a)

habt

b)

hat

c)

hast

d)

haben

8.

Oma, (a)   Sie Kuchen gebacken? (haben)

9.

ik heb

(a)  

10.

jij hebt

(a)  

11.

wij hebben

(a)  

12.

u heeft

(a)  

13.

hij is

(a)  

14.

zij is

(a)  

15.

wij zijn

(a)  

16.

hij is

(a)  

17.

brauchen = nodig hebben

Ich ___ eine neue Hose.

a)

brauche

b)

brauchen

c)

brauchst

18.

wohnen

Wir ___ in der Baumstraße.

a)

wohnen

b)

wohnt

c)

wohne

19.

öffnen = openen

Mein Vater ___ die Tür.

a)

öffnt

b)

öffnet

c)

öffnest

20.

heißen = heten

Meine Tante ___ Sigrid.

a)

heißt

b)

heißen

c)

heiße

21.

sagen

Warum ___ du nichts?

a)

sage

b)

sagst

c)

sagt

22.

schließen = sluiten

Das Restaurant ___ um 00:30 Uhr.

a)

schließe

b)

schließt

c)

schließen

23.

der Mann =

a)

er

b)

es

c)

sie

d)

man

24.

die Klasse =

a)

er

b)

es

c)

sie

d)

man

25.

liegen

Peter ___ noch in Bett.

a)

liege

b)

liegst

c)

liegt

26.

bleiben = blijven

Wie lange ___ ihr?

a)

bleibst

b)

bleiben

c)

bleibt

27.

hören = luisteren

Auf Spotify ___ man Musik

a)

hörst

b)

hören

c)

hört

28.

bringen

Die Verkäuferin ___ die Kleidung.

a)

bringst

b)

bringt

c)

bringe

29.

Daniel ............. (praten) mit seiner Freundin

a)

reden

b)

redt

c)

redest

d)

redet

30.

Welk ezelsbruggetje gebruik je om zwakke werkwoorden te vervoegen?

(a)  

31.

Vertaal het volgende werkwoord naar het Nederlands: können

(a)  

32.

Vertaal het volgende werkwoord naar het Nederlands: wollen

(a)  

33.

Vertaal het volgende werkwoord naar het Nederlands:

sollen

(a)  

34.

Vertaal het volgende werkwoord naar het Nederlands: müssen

(a)  

35.

Vertaal het volgende werkwoord naar het Duits: zou graag willen

(a)  

36.

Vertaal het volgende werkwoord naar het Duits:

houden van, lusten

(a)  

37.

Vertaal het volgende werkwoord naar het Duits:

weten

(a)  

38.

Vertaal het volgende werkwoord naar het Duits:

mogen, toestemming hebben

(a)  

39.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Ich (a)   Tomatensuppe und Salat. (mögen)

40.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Wir (a)   jetzt nach Hause fahren. (möchten)

41.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

(a)   du was für Hausaufgaben wir für Morgen haben? (wissen)

42.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Wir (a)   sofort gehen! Sonnst kommen wir zu spät. (sollen)

43.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

(a)   ihr mit fahren? (wollen)

44.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Das Kind (a)   mit schwimmen gehen. ( möchten)

45.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Der Junge (a)   nicht auf die Toilette gehen. (dürfen)

46.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Meine Eltern (a)   Morgen nicht zur Schule kommen. (können)

47.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Frau Müller, (a)   Sie sich hier hinsetzen? (möchten)

48.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

(a)   ich dieses Wochenende meinen Zimmer aufräumen? (sollen)

49.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Meine Geschwister (a)   nicht wann ich Geburtstag habe. (wissen)

50.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Herr Müller, (a)   ich meine Hausaufgabe auch später machen? (dürfen)

51.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Meine Schwester (a)   es nicht sich zu streiten (ruziën). (mögen)

52.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Der Lehrer fragt: (a)   ihr jetzt anfangen? (wollen)

53.

Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Ich (a)   dieses Wochenende nach Holland fahren (zou graag willen)

54.

Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Wir (a)   da sofort mit aufhören! (moeten, bevel)

55.

Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Meine Eltern meinen, wir (a)   noch nichts über das Leben. (weten)

56.

Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Meine Freundin (a)   unbedingt ins Krankenhaus! (moeten, noodzaak)

57.

Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Meine Gruppe und ich (a)   es viel zu unternehmen. (houden van, lusten)

58.

Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Du (a)   endlich mit in die Turkei fliegen! (mogen, toestemming hebben)