wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Elektriciteit

Total questions: 46

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

300 milli-Ampére = (a)   Ampére

2.

0,001 Ampére = (a)   milli-Ampére

3.

Je hebt de keuze uit een lamp van 5 watt en een van 15 watt.

Welke twee uitspraken zijn waar?

a)

De lamp van 5 Watt verbruikt de minste energie

b)

De lamp van 5 Watt verbruikt de meeste energie

c)

De lamp van 15 Watt geeft het minste licht

d)

De lamp van 15 Watt geeft het meeste licht

4.

je ziet hier een schakeling. Wat wijst het pijltje aan?

a)

Batterij

b)

krokodillen tangen

c)

schakelaar

d)

gebroken draad

5.

Wanneer kan er in een stroomkring stroom lopen?

a)

Als het rode draad in de plus kant zit en het zwarte draad in de min kant

b)

Als er genoeg isolatoren in de stroomkring zitten

c)

Alleen als de stroomkring gesloten is

d)

Alle drie de antwoorden zijn juist

6.

Ik draai 1 lampje uit deze schakeling. Wat gebeurt er met de andere 6 lampen?

a)

Alle lampjes gaan uit

b)

De andere 6 lampjes gaan allemaal iets harder branden

c)

Er gebeurt helemaal niets

d)

Alleen de lampjes die voor de lamp staan die eruit is gedraaid, werken nog.

7.

Ik heb een schakeling met 1 lamp, die veel licht geeft.

Nu voeg ik een tweede lamp toe aan de schakeling (zoals in het plaatje rechts). Wat gebeurt er met het licht van de lampen?

a)

Allebei de lampen blijven even fel branden als in de schakeling links.

b)

Allebei de lampen branden niet.

c)

Allebei de lampen branden half zo fel als bij de schakeling links.

d)

Lamp 1 brand net zo fel als bij de linker schakeling, omdat het alle stroom verbruikt en lamp 2 staat uit.

8.

Wat zijn de voordelen van een parallel schakeling?

a)

Bij een parallel schakeling heb je meerdere stroomkringen. Als dan 1 lamp kapot gaat, blijft de rest werken.

Ook branden alle lampen die parallel staan even fel.

b)

Bij een parallel schakeling heb je slechts 1 stroomkring. Als dan 1 lamp kapot gaat, gaat de rest ook uit.

Ook branden alle lampen die parallel staan even fel.

c)

Bij een parallel schakeling heb je meerdere stroomkringen. Als dan 1 lamp kapot gaat, blijft de rest werken.

Maar alle lampen branden minder fel, omdat de stroom wordt verdeeld over verschillende paden.

d)

Bij een parallel schakeling heb je een stroomkring. Als dan 1 lamp kapot gaat, gaat de rest ook uit.

Alle lampen branden minder fel, omdat de stroom wordt verdeeld over verschillende paden

9.
Het plaatje is het symbool van een:
a)
Batterij
b)
Een gesloten schakelaar
c)
Een geopende schakelaar
d)
Een lamp
10.
Met welke schakeling bepaal je spanning over het lampje en de stroomsterkte door het lampje?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
11.
In een serieschakeling is de spanning overal hetzelfde.
a)
Waar
b)
Niet waar
12.
In een parallelschakeling is de stroomsterkte overal hetzelfde.
a)
Waar 
b)
Niet waar
13.
De spanning die een stopcontact in je huis geeft is....
a)
12 V
b)
24 V
c)
110 V
d)
230 V
14.

Op een spaarlamp staat ‘11 W’.

Wat is ‘11 W’?

a)

Het rendement van de lamp

b)

Het energiegebruik van de lamp

c)

Het energiegebruik van de lamp in 1 seconde

d)

Geen van bovenstaande antwoorden

15.

Het elektrisch vermogen van een lamp is

a)

de hoeveelheid nuttige energie die een lamp per seconde produceert

b)

het deel van de elektrische energie dat nuttig gebruikt wordt

c)

de hoeveelheid elektrische energie die een lamp per seconde gebruikt

d)

de elektrische energie maal de tijd dat de lamp aan staat

16.

kilowattuur is een eenheid van

a)

energie

b)

vermogen

c)

elektriciteit

d)

spanning

17.

Een computer met een vermogen van 600 W staat een halfuur aan.

Hoeveel energie gebruikt de computer in deze tijd?

a)

300 kWh

b)

300 J

c)

18 kWh

d)

0,3 J

e)

0,3 kWh

18.

In deze gemengde schakeling hebben we een bronspanning van 12V. Over lampje 1 zit een spanning van 4V. Welke spanning krijgen we in lampje 3 als we weten dat lampje 2 en 3 gelijk zijn?

(a)  

19.

Bekijk de schakeling op de afbeelding. Welke bronspanning mogen we hier verwachten?

a)

22V

b)

44V

c)

48V

d)

26V

20.

Welke eenheid hoort bij stroomsterkte?

a)

Amprère

b)

Volt

c)

Watt

d)

kiloWattuur

21.

Welke eenheid hoort bij spanning?

a)

Amprère

b)

Volt

c)

Watt

d)

kiloWattuur

22.

Welke eenheid hoort bij vermogen?

a)

Amprère

b)

Volt

c)

Watt

d)

kiloWattuur

23.

Welke letter is de afkorting voor spanning?

(a)  

24.

Welke letter is de afkorting voor stroomsterkte?

(a)  

25.

Welke letter is de afkorting voor vermogen?

(a)  

26.

Welke formule gebruik je om de totale stroomsterkte in een serieschakeling uit te rekenen?

a)

Itotaal=I1+I2+I3+....I_{totaal}=I_1+I_2+I_3+....  

b)

Itotaal=I1=I2=I3=...I_{totaal}=I_1=I_2=I_3=...  

c)

P=U×IP=U\times I  

d)

E=P×tE=P\times t  

27.

Welke formule gebruik je om de totale stroomsterkte in een parallelschakeling uit te rekenen?

a)

Itotaal=I1+I2+I3+....I_{totaal}=I_1+I_2+I_3+....  

b)

Itotaal=I1=I2=I3=...I_{totaal}=I_1=I_2=I_3=...  

c)

P=U×IP=U\times I  

d)

E=P×tE=P\times t  

28.

Welke formule gebruik je om het vermogen uit te rekenen?

a)

Itotaal=I1+I2+I3+....I_{totaal}=I_1+I_2+I_3+....  

b)

Itotaal=I1=I2=I3=...I_{totaal}=I_1=I_2=I_3=...  

c)

P=U×IP=U\times I  

d)

E=P×tE=P\times t  

29.

Welke formule gebruik je om het energieverbruik uit te rekenen?

a)

Itotaal=I1+I2+I3+....I_{totaal}=I_1+I_2+I_3+....  

b)

Itotaal=I1=I2=I3=...I_{totaal}=I_1=I_2=I_3=...  

c)

P=U×IP=U\times I  

d)

E=P×tE=P\times t  

30.

Wat betekent dit symbool?

a)

lampje

b)

led

c)

bel

d)

motor

31.

De batterij heeft een spanning van 5 volt. de ampèremeter meet een stroomsterkte van 2 ampère. De voltmeter geeft aan dat er over lampje 2 een spanning van 3 volt staat. Wat is de spanning over lampje 3?

a)

3 V

b)

2 V

c)

5 V

d)

2,5 V

32.

Voor een parallelschakeling geldt: De spanning is ____________ en de stoomsterkte is _______________.

a)

gelijk en gelijk

b)

verdeeld en verdeeld

c)

gelijk en verdeeld

d)

verdeeld en gelijk

33.

Voor een serieschakeling geldt: De spanning is ___________ en de stroomsterkte is_________________.

a)

gelijk en gelijk

b)

verdeeld en verdeeld

c)

gelijk en verdeeld

d)

verdeeld en gelijk

34.

Een wasmachine werkt op een spanning van 230 volt. De stoomsterkte door de wasmachine is 8 A. Wat is het vermogen van de wasmachine?

a)

920 W

b)

1840 W

c)

28,75 W

d)

0,035 W

35.

Hoeveel energie gebruikt een computer van 400 Watt als hij 3 kwartier aanstaat?

a)

1200 kWh

b)

0,3 kWh

c)

300 kWh

d)

1,2 kWh

36.
Wat betekent het volgende symbool?
a)
Lampje
b)
Batterij
c)
Schakelaar
d)
Meter
37.
16 kV = 
a)
16000 V
b)
160 V
c)
0,16 V
d)
0,0016 V
38.
5 identieke lampjes zijn aangesloten op een batterij van 9 Volt.
Welke stelling is juist?
a)
Lampjes 1 en 2 branden het felst.
b)
Lampjes 3, 4 en 5 branden het felst.
c)
Alle lampjes branden even fel.
d)
Kan je niet weten want de stroomsterkte is niet gegeven.
39.
In de figuur zijn 3 dezelfde lampjes aangesloten op een batterij van 4,5 Volt.
Welke stelling is juist?
a)
Alle lampjes branden even fel.
b)
Het rechter lampje brandt het felst.
c)
Het rechter lampje brand het zwakst.
d)
Kan je niet weten omdat de stroomsterkte niet gegeven is.
40.

De weerstand van een LDR is afhankelijk van:

a)

Licht

b)

Temperatuur

c)

Spanning

d)

Stroom

41.

De weerstand van een NTC is afhankelijk van:

a)

Licht

b)

Temperatuur

c)

Spanning

d)

Stroom

42.

Bereken de weerstand van het lampje.

(a)  

43.

De spanning over een weerstandje is 12V en de stroom erdoor is 0,2A. Wat is de waarde van dit weerstandje?

a)

2,4 Ω

b)

24 Ω

c)

6 Ω

d)

60 Ω

44.

Een wasmachine thuis heeft een vermogen van 2 kW. Bereken de stroomsterkte (I).

a)

8,7 A

b)

460 A

c)

0,115 A

d)

3 A

45.

Wat is de wet van Ohm?

a)

R =UIR\ =\frac{U}{I}

b)

R =IUR\ =\frac{I}{U}

c)

U=IRU=\frac{I}{R}

d)

I =U×RI\ =U\times R

46.

De formule voor de soortelijke weerstand is:

a)

R = A ρlR\ =\ \frac{A\ \cdot\rho}{l}  

b)

R = A lρR\ =\ \frac{A\ \cdot l}{\rho}  

c)

R = ρl AR\ =\ \frac{\rho}{l\ \cdot A}  

d)

R = l ρAR\ =\ \frac{l\ \cdot\rho}{A}