wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

5 herhaling oktober

Total questions: 52

Worksheet time: 4hrs 20mins

Name
Class
Date
1.

De Coulombkracht op een lading van +3,0 μC die op een afstand d zit van een lading van +4,0 μC is 1,2 N. Wat zal de kracht zijn op een lading van +6,0 μC die op een dubbele afstand 2d zit van een lading van + 8,0 μC?

a)

0,6 N

b)

1,2 N

c)

2,4 N

d)

4,8 N

2.

Op drie metalen bollen A, B en C zitten ladingen. Eerst steekt men A tegen B, daarna haalt men ze uit elkaar en steekt men B tegen C. Daarna haalt men B en C uit elkaar. Wat is de lading op de bollen na deze handelingen?

a)

QA = -1 C   

QB = -1 C    

QC = -3 C

b)

QA = -2 C  

QB = -2 C     

QC = -3 C

c)

QA = -1 C   

QB = -3 C   

QC = -4 C

d)

QA = -1 C   

QB = -4 C   

QC = -4 C

3.

Als je een ballon tegen je wollen trui wrijft, wordt de ballon negatief geladen. Als je de geladen ballon tegen een houten plank houdt dan plakt deze tegen de plank. Uit dit experiment kan je afleiden dat die kant van de plank

a)

steeds positief geladen is.

b)

negatief geladen is door influentie.

c)

positief geladen is door verplaatsing van ladingen van de ballon naar de wand.

d)

een positieve voorkant verkrijgt door influentie.

4.

Drie ladingen staan elk op een hoekpunt van een driehoek (linkerfiguur). Welke rechterfiguur geeft de juiste richting en zin weer van de coulombkracht op elke lading?

a)

figuur A

b)

figuur B

c)

figuur C

d)

figuur D

5.

Tussen de twee platen is een elektrisch veld voorgesteld door de veldlijnen. Op de platen bevinden zicht links en rechts:

a)

gelijksoortige ladingen

b)

een verschillend aantal negatieve ladingen

c)

een verschillend aantal positieve ladingen

d)

evenveel tegengestelde ladingen

6.

De geladen bollen A, B en C veroorzaken een elektrisch veld. Indien Q een hoeveelheid lading aangeeft, dan is:

a)

QA = Q         

QB = Q       

QC = Q

b)

QA = -Q        

QB = Q       

QC = -Q

c)

QA = -2Q      

QB = Q       

QC = -2Q

d)

QA = -Q        

QB = 2Q     

QC = -Q

7.

Elise kamt haar droge haren met een plastic kam. De haren krijgen daardoor een lading van +4 mC. Welke uitspraak is juist?

a)

Er zijn elektronen overgegaan van de kam naar het haar van Elise.

b)

Er zijn protonen overgegaan van de kam naar het haar van Elise.

c)

Er zijn elektronen overgegaan van het haar van Elise naar de kam

d)

Er zijn protonen overgegaan van het haar van Elise naar de kam.

8.

Drie ladingen bevinden zich elk op een hoekpunt van een vierkant. Welke figuur toont de resulterende veldvector in het hoekpunt waar geen lading staat?

a)

figuur A

b)

figuur B

c)

figuur C

d)

figuur D

9.

In de punten A en C bevinden zich respectievelijk ladingen Q en Q’ zoals aangegeven op onderstaande figuur. In het punt B wordt een lading QB geplaatst waardoor de elektrische kracht op Q’ nul wordt. De lading van QB stemt overeen met:

a)

Q/2

b)

Q/4

c)

-Q/2

d)

-Q/4

10.

Twee identieke metalen bollen bezitten respectievelijk een lading van +4,0 C en –1,0 C. We brengen de bollen even met elkaar in contact en plaatsen ze terug uit elkaar. De lading op elke bol is:

a)

-2,5 C

b)

+2,5 C

c)

-1,5 C

d)

+1,5 C

11.

De ladingen q1 en q2 zitten op 6,0 cm van elkaar. Het punt P bevindt zich op 2,0 cm van q1 en op 4,0 cm van q2. Hoe is de elektrische veldvector in punt P gericht?

a)

naar links

b)

naar rechts

c)

naar boven

d)

naar onder

e)

De veldvector in punt P is een nulvector.

12.

De ladingen q1 en q2 zijn even groot maar tegengesteld. Welke vector toont de richting en zin van de coulombkracht op lading +q in punt O?

a)

I

b)

II

c)

III

d)

IV

e)

geen enkele vector

13.

De ladingen q1 en q2 oefenen samen een resulterende coulombkracht F\overrightarrow{F}  uit op de lading +q. Wat is de verhouding van q1 tot q2?

a)

1/3

b)

-1/3

c)

3

d)

-3

14.

Oxalonitril ( C2N2C_2N_2 ) is een kleurloos, ontvlambaar en giftig gas. Het is irriterend voor de ogen en de luchtwegen en kan leiden tot hoofdpijn, duizeligheid, ademhalingsstoornissen en bewusteloosheid. De molecule bezit geen enkel atoom een formele lading. Welke Lewisstructuur is hiermee in overeenstemming?

a)

b)

c)

d)

15.

Op basis van formele ladingen kun je een juiste keuze maken tussen verschillende lewisstructuren. Een lewisstructuur heeft altijd zo weinig mogelijk formele ladingen en aanwezige formele ladingen liggen zo ver mogelijk uit elkaar. Wat is dan de beste lewisstructuur voor CHCl3CHCl_3 ?

a)

b)

16.

In onderstaande tabel is het aantal neutronen en het aantal protonen van vier verschillende nucliden vermeld. Welke uitspraak is op basis van deze gegevens correct?

a)

I en IV zijn isotopen.

b)

II en IV hebben hetzelfde atoomnummer.

c)

III en IV bezitten in ongeladen toestand evenveel elektronen.

d)

I en III hebben hetzelfde massagetal

17.

Het onzekerheidsprincipe van

a)

Dalton

b)

de Broglie

c)

Heisenberg

d)

Schrödinger

18.

De eenheid van elektrische veldsterkte

a)

N

b)

N/kg

c)

C

d)

N/C

19.

De eenheid van elektrische veldsterkte

a)

Vm\frac{V}{m}

b)

Nm\frac{N}{m}

c)

VJ\frac{V}{J}

d)

JC\frac{J}{C}

20.

Een atoom in grondtoestand bezit 4 elektronen in zijn N-schil, die tevens de buitenste schil is.

Van welk chemisch element is dat atoom?

a)

Si

b)

Ti

c)

Ge

d)

Cr

21.

Welke elektronenconfiguratie stelt de grondtoestand van Co+2Co^{+2} in de gasfase voor?

a)

1s2 2s2 2p6 3s2 3p6 3d7 4s21s^2\ 2s^2\ 2p^{6\ }3s^{2\ }3p^{6\ }3d^{7\ }4s^2

b)

1s2 2s2 2p6 3s2 3p6 3d5 4s21s^2\ 2s^2\ 2p^{6\ }3s^{2\ }3p^{6\ }3d^{5\ }4s^2

c)

1s2 2s2 2p6 3s2 3p6 4d5 4s21s^2\ 2s^2\ 2p^{6\ }3s^{2\ }3p^{6\ }4d^{5\ }4s^2

d)

1s2 2s2 2p6 3s2 3p6 3d7 1s^2\ 2s^2\ 2p^{6\ }3s^{2\ }3p^{6\ }3d^{7\ }

22.

Het gas dat bij deze proef vrijkomt is

a)

H2H_2

b)

O2O_2

c)

HeHe

d)

N2N_2

e)

Cl2Cl_2

23.

Welk element heeft in de grondtoestand twee ongepaarde elektronen?

a)

magnesium

b)

nikkel

c)

fluor

d)

helium

24.

Wat is het nevenkwantumgetal voor het laatste elektron in de configuratie van tin?

a)

0

b)

1

c)

2

d)

3

25.

Wat is het magnetisch kwantumgetal voor het laatste elektron in de configuratie van broom?

a)

-1

b)

0

c)

+1

26.

Wat is het magnetisch kwantumgetal van het laatste elektron in de configuratie van nikkel?

a)

-2

b)

-1

c)

0

d)

+1

e)

+2

27.

In welke structuur komt geen datieve covalente binding voor?

a)

structuur A

b)

structuur B

c)

structuur C

d)

structuur D

28.

Een natuurlijk isotopenmengsel van Ir (Iridium) bevat twee stabiele isotopen. Het isotoop dat hierin voor 37,3 % voorkomt, heeft als massagetal 191 u. Hoeveel neutronen bevat het zwaarste isotoop van Ir?

a)

114

b)

115

c)

116

d)

117

29.

Welk atoom bezit in grondtoestand evenveel p-elektronen als er d-elektronen zijn in het Cr+3Cr^{+3} ion in grondtoestand?

a)

koolstof

b)

stikstof

c)

zuurstof

d)

fluor

30.

In een molecule distikstofmonoxide ( N2ON_2O ) is een zuurstofatoom gebonden aan één van beide stikstofatomen. Welke lewisformule is correct voor een molecule distikstofmonoxide?

a)

b)

c)

d)

31.

In punt P van het elektrisch veld is de potentiële energie van een lading gelijk aan 40 J.

Wat is de potentiële energie van die lading in een punt A dat zich dubbel zo ver van de

negatieve plaat bevindt dan P?

a)

10 J

b)

20 J

c)

40 J

d)

80 J

e)

160 J

32.

De elementaire lading is gelijk aan

a)

1,60 . 10-19 C

b)

-1,60 . 10-19 C

c)

1,90 . 10-16 C

d)

1,60 . 1019 C

33.

Een lading Q1 van 50 nC oefent een kracht uit van 50 mN op een lading Q2 van 100 nC. Hoe groot is de kracht die lading Q2 dan uitoefent op lading Q1?

a)

50 mN

b)

25 mN

c)

100 mN

d)

200 mN

34.

In een homogeen elektrisch veld

a)

loopt een equipotentiaalvlak evenwijdig aan de platen

b)

loopt een equipotentiaalvlak loodrecht op de platen

c)

loopt een equipotentiaal vlak van + naar -

d)

is een equipotentiaalvlak onmogelijk

35.

Op een afstand d van een bronlading bedraagt de veldsterkte 20 NC\frac{N}{C} en de potentiaal 20 V. Wat zijn de waarden voor de veldsterkte en potentiaal op een dubbele afstand 2d van de bronlading?

a)

5 NC\frac{N}{C} en 10 V

b)

10 NC\frac{N}{C} en 10 V

c)

5 NC\frac{N}{C} en 5 V

d)

10 NC\frac{N}{C} en 5 V

36.

Hoeveel magnetische niveaus zijn er op een f orbitaal?

a)

1

b)

3

c)

5

d)

7

37.

Hoeveel magnetische niveaus zijn er op een d orbitaal?

a)

1

b)

3

c)

5

d)

7

38.

Tijdens de lessen hebben we met een negatieve buis een elektroscoop

a)

enkel negatief kunnen laden

b)

enkel positief kunnen laden

c)

zowel negatief als positief kunnen laden

d)

niet kunnen laden

39.

elektrische influentie is een verschijnsel bij

a)

isolatoren

b)

geleiders

40.

De constante in de formule van de columbkracht heeft als eenheid

a)

N.m2C2\frac{N.m^2}{C^2}

b)

N.C2m2\frac{N.C^2}{m^2}

c)

m.N2C2\frac{m.N^2}{C^2}

d)

C.N2m2\frac{C.N^2}{m^2}

41.

Welke grootheid is scalair en dus niet vectorieel?

a)

coulombkracht

b)

elektrische veldsterkte

c)

elektrische potentiaal

42.

Dit experiment illustreerde

a)

de kooi van Faraday

b)

de kooi van Coulomb

c)

de kooi van Heisenberg

d)

de kooi van Schrödinger

43.

Welke formule is correct?

a)

E = VdE\ =\ \frac{V}{d}

b)

E = V . dE\ =\ V\ .\ d

c)

d = EVd\ =\ \frac{E}{V}

d)

d = V . Ed\ =\ V\ .\ E

44.

elektrische veldlijnen

a)

lopen van + naar -

b)

lopen van - naar +

c)

lopen altijd evenwijdig

d)

convergeren tot ze samenkomen

45.

Een elektron beweegt in een homogeen veld naar de negatieve plaat. Dan geldt dat:

a)

U > 0U\ >\ 0

b)

Epot > 0Epot\ >\ 0

c)

ΔEpot > 0\Delta Epot\ >\ 0

d)

ΔEpot < 0\Delta Epot\ <\ 0

46.

Een elektron beweegt in een homogeen veld naar de positieve plaat. Dan geldt dat:

a)

U < 0U\ <\ 0

b)

Epot > 0Epot\ >\ 0

c)

ΔEpot > 0\Delta Epot\ >\ 0

d)

ΔEpot < 0\Delta Epot\ <\ 0

47.

Een proton beweegt in een homogeen veld naar de positieve plaat. Dan geldt dat:

a)

U > 0U\ >\ 0

b)

Epot < 0E_{pot}\ <\ 0

c)

ΔEpot < 0\Delta E_{pot}\ <\ 0

d)

ΔEkin > 0\Delta E_{kin}\ >\ 0

48.

Hoe kan je de eenheid volt nog noteren?

a)

V = N.mCV\ =\ \frac{N.m}{C}

b)

V = JmV\ =\ \frac{J}{m}

c)

V = NCV\ =\ \frac{N}{C}

d)

V = JC.mV\ =\ \frac{J}{C.m}

49.

Welke grootheden zijn onafhankelijk van de proeflading?
Er kunnen meerdere antwoorden juist zijn.

a)

coulombkracht

b)

elektrische veldsterkte

c)

elektrische energie

d)

elektrische potentiaal

e)

spanning

50.

Welke grootheden zijn afhankelijk van de proeflading?
Er kunnen meerdere antwoorden juist zijn.

a)

coulombkracht

b)

elektrische veldsterkte

c)

elektrische energie

d)

elektrische potentiaal

e)

spanning

51.

Bij een coördinatieve datieve binding geldt dat

a)

ENWdonor > ENWacceptorENW_{donor\ }>\ ENW_{acceptor}

b)

ENWdonor < ENWacceptorENW_{donor\ }<\ ENW_{acceptor}

c)

ENWdonor = ENWacceptorENW_{donor\ }=\ ENW_{acceptor}

52.

Bij welke binding is er een overdracht van elektronen?

a)

metaalbinding

b)

gewone atoombinding

c)

ionbinding