wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Module 3 Hoeken, evenwijdigen en een snijlijn

Total questions: 37

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Welke naam geven we aan deze 2 hoeken?

a)

verwisselende buitenhoeken

b)

binnenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

c)

verwisselende binnenhoeken

d)

buitenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

e)

overeenkomstige hoeken

2.

Als 2 evenwijdige rechten gesneden worden door een derde rechte, dan zijn 2 verwisselende binnenhoeken altijd...

a)

even groot

b)

supplementair

c)

complementair

d)

geen van deze antwoorden

3.

Als 2 evenwijdige rechten gesneden worden door een derde rechte, dan zijn 2 overeenkomstige hoeken altijd...

a)

even groot

b)

supplementair

c)

complementair

d)

geen van deze antwoorden

4.

Als 2 evenwijdige rechten gesneden worden door een derde rechte, dan zijn de 2 buitenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn altijd...

a)

even groot

b)

supplementair

c)

complementair

d)

geen van deze antwoorden

5.

Ê2 en Ô1 zijn

a)

verwisselende binnenhoeken

b)

verwisselende buitenhoeken

c)

overeenkomstige hoeken

d)

binnenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

e)

buitenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

6.

Ê3 en Ô1 zijn

a)

verwisselende binnenhoeken

b)

verwisselende buitenhoeken

c)

overeenkomstige hoeken

d)

binnenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

e)

buitenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

7.

Ê1 en Ô4 zijn

a)

verwisselende binnenhoeken

b)

verwisselende buitenhoeken

c)

overeenkomstige hoeken

d)

binnenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

e)

buitenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

8.

Ê4 en Ô2 zijn

a)

verwisselende binnenhoeken

b)

verwisselende buitenhoeken

c)

overeenkomstige hoeken

d)

binnenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

e)

buitenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

9.

Ê1 en Ô2 zijn

a)

verwisselende binnenhoeken

b)

verwisselende buitenhoeken

c)

overeenkomstige hoeken

d)

binnenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

e)

buitenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

10.

Ê1 en Ê3 zijn

a)

verwisselende binnenhoeken

b)

verwisselende buitenhoeken

c)

overeenkomstige hoeken

d)

nevenhoeken

e)

overstaande hoeken

11.

Wat zijn complementaire hoeken?

a)

Hoeken waarvan de som 180° is.

b)

Hoeken waarvan de som 90° is.

c)

Twee hoeken waarvan de som 90° is.

d)

Twee hoeken waarvan de som 180° is.

12.

Wat zijn supplementaire hoeken?

a)

Hoeken waarvan de som 90° is.

b)

Hoeken waarvan de som 180° is.

c)

Twee hoeken waarvan de som 90° is.

d)

Twee hoeken waarvan de som 180° is.

13.

Wat zijn overstaande hoeken?

a)

Hoeken die overstaand zijn.

b)

Twee hoeken met hetzelfde hoekpunt en waarvan de benen in elkaars verlengde liggen.

c)

Twee hoeken waarvan de benen in elkaars verlengde liggen.

d)

Hoeken die niet supplementair zijn.

14.

Wat zijn nevenhoeken?

a)

Hoeken die supplementair zijn.

b)

Twee hoeken die aan elkaar liggen.

c)

Twee hoeken die aanliggend én supplementair zijn.

d)

Twee hoeken die aanliggend zijn.

15.

Wat zijn aanliggende hoeken?

a)
b)
c)
16.

De hoeken in een driehoek zijn samen .... graden

a)

180 graden

b)

200 graden

c)

360 graden

17.

Bereken hoek A

a)

40 graden

b)

50 graden

c)

140 graden

d)

220 graden

18.

Bereken hoek A2.

a)

60 graden

b)

120 graden

c)

180 graden

d)

300 graden

19.

Driehoek ABC is gelijkbenig, bereken hoek C.

(a)  

20.

Gegeven is de gelijkbenige driehoek ABC.

Bereken Â.

(a)  

21.

De hoeken langs een gestrekte lijn zijn samen ... graden

(a)  

22.

Bereken hoek A1.

(a)  

23.

Bereken hoek F.

(a)  

24.

A3 en E2 zijn ....

a)

overstaande hoeken

b)

overeenkomstige hoeken

c)

binnenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

d)

buitenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

25.

A1 en E2 zijn ...

a)

overeenkomstige hoeken

b)

verwisselende binnenhoeken

c)

verwisselende buitenhoeken

d)

nevenhoeken

26.

A4 en E4 zijn

a)

overeenkomstige hoeken

b)

binnenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

c)

verwisselende binnenhoeken

d)

buitenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

27.

hoek B2 en hoek  B3 zijn ...hoek\ B_2\ en\ hoek\ \ B_3\ zijn\ ...  

a)

overstaande hoeken

b)

verwisselende binnenhoeken

c)

nevenhoeken

d)

aanliggende hoeken

28.

hoek A3 en hoek B4 zijn...hoek\ A_3\ en\ hoek\ B_4\ zijn...  

a)

binnenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

b)

verwisselende binnenhoeken

c)

overstaande hoeken

d)

overeenkomstige hoeken

29.

hoek A1 en hoek B4 zijn...hoek\ A_1\ en\ hoek\ B_4\ zijn...  

a)

verwisselende buitenhoeken

b)

overeenkomstige hoeken

c)

buitenhoeken aan dezelfde kant van de snijlijn

d)

overstaande hoeken

30.
a)

binnenhoek

b)

overstaande hoek

c)

buitenhoek

31.

het complement van 55° is

a)

45°

b)

35°

c)

135°

d)

125°

32.

complementaire hoeken zijn altijd aanliggend.

a)

juist

b)

fout

33.

nevenhoeken zijn altijd supplementair

a)

juist

b)

fout

34.

overstaande hoeken zijn gelijk

a)

juist

b)

fout

35.

Bereken de derde hoek van ΔAEO als Â=100° en Ê =26°

a)

54°

b)

64°

c)

74°

d)

84°

36.

Wat zijn overstaande hoeken?

a)
b)
c)
37.

Wat zijn nevenhoeken ?

a)
b)
c)