wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4 mavo h1 t/m 4

Total questions: 60

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Als je met indexcijfers werkt, krijgt het basisjaar altijd het indexcijfer 100.

a)

Juist

b)

Onjuist

2.

Welke van deze goederen en/of diensten is NIET schaars?

a)

economieles

b)

zonlicht

c)

scooter

d)

brood

e)

kraanwater

3.

Als je loon met 2,5% stijgt en de inflatie is 1,5%. Wat is dan de verandering van je koopkracht in procenten?

a)

+1%

b)

+4%

c)

-1%

d)

-4%

4.

Je bent een ____ als je goederen en diensten koopt om in je behoeften te voorzien.

a)

producten

b)

consument

c)

producent

d)

fabrikant

5.

De advertentie van Coolblue is een voorbeeld van?

a)

Commerciële reclame

b)

Ideële reclame

c)

Sluikreclame

6.

Als je kinderbijslag krijgt, welke vorm van inkomen krijg je dan?

a)

Inkomen uit arbeid

b)

Inkomen uit bezit

c)

Overdrachtsinkomen

d)

Inkomen in natura

7.

Wat is een mogelijke oorzaak van inflatie?

a)

De lonen worden dit jaar niet verhoogd.

b)

De btw-tarieven stijgen.

c)

Het aanbod van producten stijgt.

d)

De vraag naar goederen en diensten neemt af.

8.

Dividend op je aandelen is

a)

Inkomen uit arbeid

b)

Inkomen uit bezit

c)

Inkomen uit overdracht

9.

Koopkracht is ..

a)

De mate waarin je in je behoeften kunt voorzien

b)

De middelen in zetten

c)

Alle noodzakelijke behoeften bevredigen

d)

Alle luxebehoeften bevredigen

10.

Als je zonnepanelen gebruikt, doe je aan zelfvoorziening

a)

Waar, want je wekt je eigen energie op. Ondanks de investering, kun je daarna zelfvoorzienend zijn

b)

Niet waar, je koopt de energie van de energiemaatschappij

11.

In welke stelling staat een juiste reden waarom bedrijven jongeren als een interessante doelgroep zien?

a)

Jongeren hebben over het algemeen veel geld vrij te besteden

b)

Jongeren kiezen toch welke boodschappen hun ouders doen

12.

Je ziet hier ...

a)

Commerciële reclame

b)

Merkreclame

c)

Ideële reclame

d)

Sluikreclame

13.

De 6 p's worden ook wel de ... genoemd

a)

Alles wat een bedrijf doet om de verkopen te laten toenemen

b)

Product, plaats, promotie, prijs, presentatie, personeel

c)

Winst maken

d)

Marketingmix

14.

Thijs wil een spelcomputer en een mountainbike. Hij kan beide niet kopen. Hij heeft een tekort aan ...

a)

Middelen

b)

Behoeften

c)

Prioriteiten

15.

Welke P hoort bij: Sportzaak Sports4All sponsort sportverenigingen in de omgeving.

a)

Prijs

b)

Plaats

c)

Promotie

d)

Personeel

16.

Informatie van reviewsites is altijd onpartijdig.

a)

Ja, want ze zijn door consumenten geschreven

b)

Ja, want iedereen kan ze schrijven

c)

Nee, want je kunt niet controleren of ze door consumenten zijn geschreven

d)

Nee, want het is geschreven door producenten

17.

In welke regel staan alleen maar consumentenorganisaties?

a)

Rover, ANWB, Vereniging Eigen Huis en de Consumentenbond

b)

Rover en de Hema

c)

Vereniging Eigen Huis, Fairtrade, Kieskeurig

d)

Gezonde vinkje, Consumentenbond, ANWB

18.

Het rentepercentage op een spaardeposito is...

a)

vast

b)

variabel

19.

Op een spaarrekening ontvang je ... interest.

a)

samengestelde

b)

enkelvoudige

20.

De marktprijs van een aandeel noem je de:

a)

nominale waarde

b)

beleggingswaarde

c)

beurskoers

d)

rendement

21.

Een hogere rente zal leiden tot...

a)

Meer uitgaven

b)

Meer lenen

c)

Minder lenen

d)

Minder sparen

22.

De nominale waarde van een € 10 biljet is

a)

ongeveer 20 cent

b)

€ 10

c)

Hangt af van de inflatie

23.

Welk voorbeeld is met chartaal geld?

a)

Je betaald een tikkie

b)

Je pint bij de supermarkt

c)

Je krijgt wisselgeld terug in de winkel

24.

Je laadt je ov-chipkaart op. Dit is een voorbeeld van ....

a)

Consumeren

b)

Investeren

c)

Beide

25.

Sparen is:

a)

Geld niet uitgeven

b)

Geld van iemand anders uitgeven

c)

Bij iemand om geld vragen

d)

Iets kopen in de winkel

26.

Een hogere rente zal leiden tot...

a)

Meer uitgaven

b)

Meer lenen

c)

Minder lenen

d)

Minder sparen

27.

Karin wil een speedboot kopen. Hiervoor kan ze een lening afsluiten van €15.000 voor 8 jaar tegen 3,2%. De verwachting is dat de speedboot een gebruiksduur heeft van 5 jaar. Moet Karin de lening aangaan?

a)

Nee, want het rentepercentage is veel te hoog.

b)

Ja, want de verwachting is dat de rente gaat stijgen.

c)

Nee, want de gebruiksduur is korter dan de looptijd van de lening.

d)

Ja, want Karin denkt dat ze de loterij gaat winnen.

28.

Als je het hebt over het geheel van vraag naar arbeid en aanbod van arbeid, dan bedoel je daarmee…

a)

de arbeidsmarkt

b)

beroepsbevolking

c)

de vacatures

d)

de werkgelegenheid

29.

Omdat bepaald werk maar in een deel van het jaar kan worden gedaan, ontstaat er ...

a)

geregistreerde werkloosheid

b)

verborgen werkloosheid

c)

seizoenswerkloosheid

d)

regionale werkloosheid

30.

De werkgever en de werknemer bekijken of het bevalt. Als dat niet het geval is, mogen ze de arbeidsovereenkomst meteen beëindigen. Dit noem je een

a)

flexibele baan

b)

vaste baan

c)

proeftijd

d)

opzegtermijn

31.

wat zijn de drie geldfuncties?

a)

spaar, oppot en rekenmiddel

b)

reken, ruil en spaarmiddel

c)

reken, ruil en betaalmiddel

32.

Je ruilt een product tegen een ander product (zonder geld te gebruiken)

a)

indirecte ruil

b)

directe ruil

33.

De drie soorten spaarmotieven zijn:

a)

Sparen voor rente, voor een bepaald doel, voor je ouders

b)

Sparen voor rente, voor een bepaald doel en uit voorzorg

34.

wat is een ander woord voor krediet?

a)

lening

b)

rente

c)

aflossing

35.

een onverwacht geldtekort, een tijdelijk geldtekort, kopen van een gebruiksgoed of kopen van een huis. dat zijn

a)

spaarmotieven

b)

kredietvormen

c)

leenmotieven

36.

Het aantal verkochte producten noemen we?

a)

Omzet

b)

Afzet

c)

Winst

37.

Wat zijn de vier productiefactoren

a)

Natuur, Arbeid, Kapitaal en ondernemerschap

b)

Natuur, personeel, kapitaal en ondernemerschap

c)

Loon, huur, rente, winst

d)

Natuur, huur, rente en winst

38.

Waaruit bestaat de kostprijs?

a)

BTW en vaste kosten

b)

Variabele kosten en Vaste kosten

c)

Btw en variabele kosten

39.

Jaap verkoopt 4000 producten voor 5 euro per stuk. Hoeveel is de afzet?

a)

20000

b)

4000

40.

De markt van graan is een voorbeeld van een...

a)

monopolistische concurrentie

b)

oligopolie

c)

volkomen concurrentie

d)

monopolie

41.

De consumentenprijs is de...

a)

Inkoopprijs exclusief BTW

b)

Verkoopprijs exclusief BTW

c)

Kostprijs inclusief BTW

d)

Verkoopprijs inclusief BTW

42.

Werkloosheid doordat de vraag naar goederen en diensten minder wordt, heet:

a)

Conjuncturele werkloosheid

b)

Kwalitatieve structurele werkloosheid

c)

Kwantitatieve structurele werkloosheid

d)

Verborgen werkloosheid

e)

Seizoenswerkloosheid

43.

De abstracte markt is....

a)

een fysieke ontmoetingsplaats waar vragers en aanbieders elkaar treffen.

b)

een markt die die in de praktijk nauwelijks voorkomt.

c)

een markt die gedomineerd wordt door enkele aanbieders

d)

een markt met geheel van vraag en aanbod

44.

De woningmarkt is een

a)

concrete markt

b)

abstracte markt

45.

Een markt met slechts enkele aanbieders van gelijke producten noemt men

a)

Monopolistische concurrentie

b)

Homogene oligopolie

c)

Heterogene oligopolie

d)

Monopolie

46.

De markt van speciaalbieren is een voorbeeld van

a)

Heterogene oligopolie

b)

Volledige concurrentie

c)

Monopolistische concurrentie

d)

Homogene oligopolie

47.

Maartje is haar baan kwijt als postbezorgster. Mensen sturen veel vaker een digitaal berichten.

We noemen dit?

a)

frictiewerkloosheid

b)

seizoenswerkloosheid

c)

regionale werkloosheid

d)

conjuncturele werkloosheid

e)

structurele werkloosheid

48.

Egbert verliest zijn baan als nagelstylist. De mensen hebben op dit moment even geen geld voor luxe uitgaven.

We noemen dit?

a)

frictiewerkloosheid

b)

seizoenswerkloosheid

c)

regionale werkloosheid

d)

conjuncturele werkloosheid

e)

structurele werkloosheid

49.

Om structurele werkloosheid te verkleinen moeten we ...

a)

... de koopkracht van huishoudens vergroten.

b)

... zorgen dat uitzendbureaus hun werk sneller doen.

c)

... mensen de juiste scholing geven

d)

... de mobiliteit van mensen vergroten.

50.

Wie is hier 'verborgen' werkloos?

a)

Karel die zich suf solliciteert, maar altijd afgewezen wordt.

b)

Marie die een WW-uitkering heeft, maar eigenlijk niet wil werken

c)

Joost die studeert, maar liever zou willen werken

d)

Griet, die niet kan werken omdat ze voor haar zieke moeder zorgt.

51.

Wat is geen werknemersverzekering?

a)

Werkloosheidswet

b)

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

c)

Algemene Ouderdomswet

52.

Via thuisbezorgd wordt je eten aan de deur gebracht.

Daarom is er veel vraag naar fietskoeriers.

Er is dan sprake van een ...

a)

Neutrale arbeidsmarkt

b)

Krappe arbeidsmarkt

c)

Ruime arbeidsmarkt

d)

Volledige arbeidsmarkt

53.

Waarvoor staat de afkorting van deze ondernemingsvorm: bv?

a)

beschermde vennootschap

b)

bevoegd ondernemer

c)

besloten vennootschap

d)

besloten vereniging

54.

Welke uitspraak past het best bij een 'eenmanszaak'?

a)

Dit is een vennootschap die één man als baas heeft.

b)

Dit is een onderneming die één persoon als eigenaar en baas heeft.

c)

Dit is een zaak die één persoon aangaat.

d)

Dit is één man die een zaak opstart.

55.

Over de winst van een eenmanszaak moet ..... betaald worden

a)

dividendbelasting

b)

Inkomstenbelasting

c)

Vennootschapsbelasting

56.

Een aandeel is:

a)

een eigendomsbewijs in een onderneming die een rechtspersoon is.

b)

een eigendomsbewijs in een onderneming die een natuurlijk persoon is.

c)

een eigendomsbewijs in een onderneming die zowel natuurlijk als rechtspersoon is.

d)

geen van bovenstaand.

57.

Twee ondernemingsvormen waarvan je mede-eigenaar kunt worden zijn een:

a)

bv en een nv.

b)

bv en een coöperatie.

c)

cv en een vof.

d)

nv en een eenmanszaak.

58.
Wat is ZZP?
a)
Zelfstandig zonder functie
b)
Zelfstandig zonder personeel
c)
Zelf zonder pers
d)
Zelfstandige met personeel
59.
Eenmanszaak is een niet-rechtspersoon
a)
Juist
b)
Onjuist
60.

Een groot nadeel van een eenmanszaak is dat de eigenaar

a)

veel werk moet verrichten om het bedrijf draaiende te houden.

b)

alle winst aan de fiscus moet afdragen.

c)

niemand heeft om een praatje mee te maken.

d)

zijn huis kan kwijtraken bij faillissement.