wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling theorie Taalverrijking

Total questions: 22

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Een afleiding maak je door een stukje voor of achter een woord te plakken.

a)

waar

b)

niet waar

2.

Een voorvoegsel wordt achter het woord geplakt.

a)

waar

b)

niet waar

3.

Het stukje dat aan een woord wordt geplakt heet een voor- of achtervoegsel.

a)

waar

b)

niet waar

4.

Selecteer de afleiding.

a)

vakantie

b)

school

c)

verliefdheid

d)

pinguïn

5.

Wat betekent het voorvoegsel 'her'?

a)

juist niet

b)

opnieuw

c)

oud

6.

Wat betekent het achtervoegsel '-achtig'?

a)

de manier van / ongeveer zoals

b)

dit geeft een verkleinwoord aan

c)

'net als'

d)

'zonder'

7.

Als je twee of meer woorden achter elkaar plakt, maak je een samenstelling.

a)

waar

b)

niet waar

8.

Een samenstelling schrijf je altijd aan elkaar vast.

a)

waar

b)

niet waar

9.

Tussen de twee zelfstandige naamwoorden komt soms een ‘s’, ‘en’ of een koppelteken te staan.

a)

waar

b)

niet waar

10.

Selecteer de twee samenstellingen.

a)

kunstschilder

b)

verftube

c)

veiling

d)

cappuccino

11.

In welke samenstelling staat een bijvoeglijk naamwoord.

a)

gebruikmaken

b)

vormgeven

c)

hogeschool

d)

voorop

12.

Vaktaal is, voor mensen die niet bekend zijn met het vak, vaak moeilijk te volgen.

a)

waar

b)

niet waar

13.

Waar zal vaktaal voorkomen? Selecteer de twee juiste antwoorden.

a)

In een gesprek tussen twee collega's

b)

in een plaatselijke krant

c)

in een vakblad

d)

in een talkshow op televisie

14.

Het Standaardnederlands is de officiële taal van school, televisie, kranten en boeken.

a)

waar

b)

niet waar

15.

Dialect is hetzelfde als Standaardnederlands.

a)

waar

b)

niet waar

16.

Die verwijst naar 'het-woorden'.

a)

waar

b)

niet waar

17.

'Dat’ verwijst naar het-woorden.

a)

waar

b)

niet waar

18.

'Wat' verwijst naar woorden waar je geen lidwoorden voor kunt zetten en als het verwijst naar een hele zin.

a)

niet waar

b)

waar

19.

Het betrekkelijk voornaamwoord (bt vnw) verwijst terug naar een woord, woordgroep of een zin die vlak daarvoor is genoemd

a)

waar

b)

niet waar

20.

Je schrijft ‘met wie’ als het om een persoon gaat.

a)

waar

b)

niet waar

21.

Je gebruikt ‘waarmee’ als het om een ding of een dier gaat.

a)

waar

b)

niet waar

22.

Je schrijft ‘met wie’ als het om een ding of dier gaat.

a)

waar

b)

niet waar