wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

DNA h/v 4 en h5 (basis v5/v6)

Total questions: 103

Worksheet time: 2hrs 6mins

Name
Class
Date
1.

Waarom is DNA belangrijk?

a)

het is erg klein en erg ingewikkeld

b)

het zit in alles

c)

het dient als de blauwdruk (blue-print) voor eigenschappen van alle levende wezens

d)

omdat we het elke dag eten voor energie

2.

Wat zijn de 4 stikstofbasen?

a)

adenine, thymine, cytoplasma, and guanine

b)
adenine, thymine cytosine, and guanine
c)

adenine, thymine, cytosine, and glycerol

d)
adenine, thymine, cytosine, and glucose
3.

Welke toont de juiste basenparing voor DNA?

a)
C-A, T-G
b)
A-G, C-T
c)
C-G, U-A
d)
T-A, G-C
4.

Waar staat DNA voor?

a)

Deoxyribonucleïnezuur

b)

stikstofhoudend zuur

c)

Deribonucleïnezuur

d)

Diribonucleïnezuur

5.

De bouwsteen van nucleïnezuren zijn nucleotiden. Nucleotiden zijn samengesteld uit een suiker, een fosfaatgroep en een _________________ base.

a)

zuurstof

b)

waterstof

c)

stikstof

d)

koolstof

6.

De suiker in DNA is ?

a)
sucrose
b)
glucose
c)
deoxyribose
d)
fructose
7.

Welke van de volgende moleculen worden herhaaldelijk samengevoegd om een ​​DNA-streng te vormen?

a)

aminozuren

b)

nucleotiden

c)

vetzuren

d)

polysachariden

8.

Identificeer #2.

a)

Stikstofbase

b)

Fosfaat groep

c)

deoxyribose suiker

d)
nucleotide
9.

Welke reeks is van groot naar klein gerangschikt?

a)

gen, chromosoom, kern, cel, nucleotide

b)

cel, kern, chromosoom, gen, nucleotide

c)

nucleotide, chromosoom, cel, kern

d)

cel, gen, nucleotide, kern, chromosoom

10.

DNA-replicatie resulteert in twee DNA-moleculen,

a)

elk met twee originele strengen

b)

elk met twee nieuwe strengen

c)

elk met een nieuwe streng en een originele streng

d)

een met twee nieuwe strengen en de andere met twee originele strengen

11.

volgorde van replicatie

a)
3, 4, 2, 1
b)
3, 1, 4, 2
c)
2, 1, 4, 3
d)
3, 4, 1, 2
12.

In welke fase van de celcyclus vindt DNA-replicatie plaats?

a)
G1
b)
S
c)
G2
d)
M
13.

Welk enzym is verantwoordelijk voor het toevoegen van nucleotiden?

a)

Helicase

b)
DNA Polymerase
c)
Ligase
d)
Primase
14.

Waarom repliceert DNA?

a)

Een nieuwe kopie maken voor de nieuwe cel

b)

Een duplicaat maken voor het geval het origineel beschadigd raakt

c)

Een nieuwe kopie maken om het beschadigde origineel te vervangen

15.

U krijgt de DNA-streng 5'ATGCTCAGCTGA3'. Wat is de bijbehorende DNA-streng?

a)

5'UACGAGUCGACU3'

b)

5'TACGAGTCGACT3'

c)

3'UACGAGUCGACU5'

d)

3'TACGAGTCGACT5'

16.

Wat zijn de drie componenten van een nucleotide?

a)

suiker, waterstof, stikstofbase

b)

suiker, zuurstof, stikstofbase

c)

suiker, fosfaat, stikstofbase

d)

suiker, fosfaat, eiwit

17.

Als een DNA-molecuul voor 29% uit guanine bestaat, hoeveel cytosine zal het dan bevatten?

a)
29%
b)
58%
c)
21%
d)
I have no idea.
18.

DNA fiingerprinting werkt omdat....

a)

de meeste genen dominant zijn.

b)

alle organismen bevatten RNA

c)

de belangrijkste genen zijn bij de meeste mensen verschillend

d)

Geen twee mensen, behalve eeneiige tweelingen, hebben precies hetzelfde DNA

19.

Welke van de volgende is de sjabloon voor de productie van RNA in een cel?

a)

DNA

b)

ATP

c)

Eiwit

d)

Koolhydraten

20.

Wat is de relatie tussen een eiwit, de cel en DNA?

a)

DNA wordt geproduceerd door eiwit dat in de cel wordt geproduceerd

b)

Eiwit is opgebouwd uit DNA dat in de cel wordt geproduceerd

c)

DNA regelt de productie van eiwitten in de cel

d)

Een cel is opgebouwd uit DNA en eiwitten.

21.

Wat is een gen?

a)

Een bundel (zoals een hotdogbroodje) waar het DNA in is verpakt

b)

Iets in de celkern

c)

een sectie/stuk DNA

d)

al je DNA

22.

Waar vindt de translatie plaats?

a)

In de celkern

b)

In het cytoplasma

23.

Waar vindt de transcriptie plaats?

a)

In de celkern

b)

In het cytoplasma

24.

Drie opeenvolgende stikstofbasen in het RNA noem je...

a)

adenines

b)

fosfaatgroepen

c)

codons

d)

anticodons

e)

mRNA

25.

RNA bevat een andere suikergroep dan DNA

a)

waar

b)

niet waar

26.

Een puntmutatie zorgt altijd voor een ander eiwit.

a)

waar

b)

niet waar

27.

Lange ketens van aminozuren heten ook wel:

a)

vetten

b)

DNA

c)

mRNA

d)

eiwitten

e)

koolhydraten

28.

Transcriptie is ...

a)

Het overschrijven van de mRNA-code op aminozuren

b)

Het overschrijven van de mRNA-code op DNA

c)

Het overschrijven van de DNA-code op mRNA

d)

Het overschrijven van de DNA-code op aminozuren

29.

Het hele proces van overschrijven van DNA op mRNA en het uiteindelijke vormen van een functioneel eiwit noem je...

a)

transcriptie

b)

translatie

c)

eiwitsynthese

d)

exocytose

30.

Eiwitten bestaan uit ...

a)

Stikstofbasen

b)

Codons

c)

mRNA

d)

Aminozuren

31.

Wat is de rol van het ER (endoplasmatisch reticulum) bij de eiwitsynthese?

a)

Maken van eiwit

b)

Vouwen en vervoeren van eiwit

c)

Aflezen van DNA-code

d)

Exocytose

32.

Welk proces vindt er plaats op deze tekening?

a)

transcriptie

b)

transfer-RNA creëert basen

c)

translatie

d)

DNA-helix wordt opengevouwen

33.

Wat is de correcte aminozuursequentie voor de mRNA code AUGCCAGUAUGA?

a)

Met-Pro-Val-Stop

b)

Met-Pro-Arg-Stop

c)

Met-Tyr-Gly-His

d)

Tyr-Gly-Arg-His

34.

Welk proces wordt hier voorgesteld?

a)

translatie

b)

replicatie

c)

mitose

d)

transcriptie

35.

Het belangrijkste enzym gerelateerd aan transcriptie is:

a)

gyrase

b)

DNA-polymerase

c)

ligase

d)

RNA-polymerase

36.

Bij het aflezen van een regulatorgen kan een ______________(1) worden gemaakt, die het aflezen en vertalen van andere genen kan ___________(2)

a)

(1) repressor, (2) blokkeren

b)

(1) repressor, (2) stimuleren

c)

(1) operator, (2) stimuleren

d)

(1) operator, (2) blokkeren

37.

n RNA, Uracil paren met ______.

a)

cytosine

b)

adenine

c)

guanine

d)

thymine

38.

Het mRNA verlaat het _________ om het ribosoom te vinden om eiwitten te maken.

a)

Cel

b)

Nucleotide

c)

Celkern

d)

Mitochondrien

39.

Waar worden eiwitten in een cel gemaakt?

a)

Nucleus

b)

Ribosoom

c)

Celmembraan

d)

Endoplasmatisch reticulum

40.

Welke mutatie is hier opgetreden?

T-G-A-C-C-A

T-G-A-G-C-A

a)

Vervanging

b)

Verwijdering

c)

Invoeging

41.

Zijn alle mutaties slecht?

a)

Ja

b)

Nee

42.

DNA-molecuulsegment is: TTACGCAAG

Het gemuteerde DNA-segment is TTCGCAAG.

Dit is een voorbeeld van ___ mutatie

a)

Vervanging

b)

Invoeging

c)

Verwijdering

43.

Welke van de volgende kan de kans van mutatie verhogen?

a)

UV-straling

b)

Virussen

c)

Toxische chemicalien

d)

alle bovenstaande antwoorden

44.

_______ is elke wijziging van het DNA van een organisme met behulp van biotechnologie.

a)

Klonen

b)

DNA fingerprinting

c)

Genetsche modificatie

d)

Humane Genome Project

45.

Wat is biotechnologie?

a)

Nuttige producten maken door gebruik te maken van levende systemen en organismen

b)

Een gebied van biotechnologie dat is gecentreerd rond het gebruik van DNA.

c)

Het doel om een ​​genetische kopie van een heel organisme te reproduceren.

46.

Een organisme waarvan het DNA is aangepast?

a)

Transgeen

b)

Genetische gemodificeerde organisme (GMO)

c)

Human Genome Project

d)

DNA fingerprinting

47.

Tegenwoordig zijn er veel meer organismen bekend die genen van andere soorten bevatten. Het zijn onder andere de door de mens genetisch gemodificeerde organismen. Welke term wordt in de biologie gebruikt om een genetisch gemodificeerd organisme aan te duiden?

a)

Heterozygoot

b)

Kloon

c)

Mutant

d)

Transgeen

48.

Hoeveel basenparen zie je hier?

a)

2

b)

4

c)

6

d)

12

49.

DNA bevindt zich bij de mens in

a)

het cytoplasma

b)

de celkern

c)

het kernlichaampje

50.

Wat is het genotype?

a)

de informatie voor een erfelijke eigenschap van een individu

b)

alle waarneembare eigenschappen

c)

Als het DNA in één cel

d)

een gedeelte van een chromosoom dat informatie bevat voor een eigenschap

51.

Welke streng wordt bij transcriptie afgelezen?

a)

De sense streng

b)

De antisense streng

c)

De coderende streng

d)

De leidende streng

52.

Welk enzym koppelt de RNA nucleotiden aan de DNA streng?

a)

RNA polymerase

b)

DNA polymerase

c)

Transcriptase

d)

Helicase

e)

Ligase

53.

Wat wordt afgelezen in de genetische code (van Binas)?

a)

Het mRNA

b)

Het tRNA

c)

Het rRNA

d)

De antisense streng van het DNA

54.

Hoeveel codons coderen voor aminzouren?

a)

61

b)

64

c)

Meer dan duizend

d)

20

55.

Wat is niet waar over de translatie?

a)

Het start altijd met methionine

b)

Het stopcodon bindt aan een ontkoppelingseiwit

c)

Aan één mRNA kunnen tegelijkertijd meerdere ribosomen vastzitten

d)

Alle methionine aminozuren worden na translatie ontkoppeld

56.

Is de volgende bewering juist of onjuist?

Het uiterlijk maakt deel uit van iemands fenotype.

a)

juist

b)

onjuist

57.

Vul het ontbrekende woord in.

Alle genen in de chromosomen van een individu vormen het .......... van dat individu.

a)

fenotype

b)

genotype

c)

DNA

d)

ribosomen

58.

Is de volgende bewering juist of onjuist?

Het genotype is het deel van een chromosoom dat de informatie bevat voor één erfelijke eigenschap of voor een deel van een erfelijke eigenschap.

a)

juist

b)

onjuist

59.

Zijn in een muis de DNA-sequenties in een levercel voor het overgrote deel gelijk aan de DNA-sequenties in een longcel?

a)

ja

b)

nee

60.

Is de volgende bewering juist of onjuist?

Het fenotype kan worden beïnvloed door de temperatuur

a)

juist

b)

onjuist

61.

Een bijenvolk bestaat uit vrouwelijke bijen (werkbijen), mannelijke bijen (darren) en één grote vrouwelijke bij (de koningin). Uit een zygote kan een koningin of een werkbij ontstaan. Dit is afhankelijk van het voedsel dat de larve krijgt. Een dar ontstaat uit een onbevruchte eicel.

Wordt het verschil tussen een koningin en een dar vooral bepaald door het genotype of door een milieufactor?

a)

genotype

b)

milieufactoren

62.

Het genotype (alle genen) van een mens komt tot stand tijdens de geboorte.

a)

waar

b)

niet waar

63.

De chromosomen in de cellen van je nieren bevatten de informatie voor je oogkleur

a)

waar

b)

niet waar

64.
Bij chimpansees is 2n = 48.
Bepaalde chromosomen van vrouwelijke chimpansees zijn kopieën van chromosomen van hun grootmoeders van moederszijde.
Als ervan wordt uitgegaan dat er geen mutaties en geen breuken in chromosomen optreden, is dan te bepalen hoe groot het aantal van deze kopieën gemiddeld bij vrouwelijke chimpansees zal zijn? Zo ja, hoeveel?
a)
nee
b)
ja, 6
c)
ja, 12
d)
ja, 24
65.
Maïs is een belangrijk voedselgewas. Door jarenlange veredeling via kruising en selectie zijn de maiskolven steeds groter en voedzamer geworden. Een nadeel van deze veredelingsmethode is dat deze zeer veel tijd kost. Een ander nadeel is dat niet elk gewenst resultaat kan worden bereikt. Het verhogen van de weerstand tegen insectenvraat bleek bij maïsplanten via kruising en selectie niet te lukken. Hiervoor worden de volgende verklaringen bedacht:
1 Doordat maïsplanten door de wind worden bestoven, vindt overdracht van genen willekeurig plaats.
2 Een gen dat weerstand geeft tegen insectenvraat komt bij maïs van nature niet voor.
Kan 1 een juiste verklaring zijn voor het feit dat het verhogen van de weerstand van maïsplanten niet lukte via kruising en selectie? En 2?
a)
geen van beide verklaringen
b)
alleen verklaring 1
c)
alleen verklaring 2
d)
beide verklaringen
66.
In bron 1 zijn twee karyogrammen weergegeven. Deze karyogrammen zijn afkomstig van een eeneiige tweeling. Het ene kind is van het mannelijk geslacht zonder duidelijke uiterlijke afwijkingen. Bij het andere kind zijn wel uiterlijke afwijkingen geconstateerd.
Bij het ontstaan van deze tweeling is een stoornis opgetreden in een kerndeling. Vijf mogelijke stoornissen zijn:
1 een stoornis in de meiose 1 van de eicel
2 een stoornis in de meiose 1 van de zaadcel
3 een stoornis in de meiose 2 van de eicel
4 een stoornis in de meiose 2 van de zaadcel
5 een stoornis in de eerste mitose van de zygote
Welke van deze stoornissen kan geleid hebben tot het ontstaan van deze bijzondere tweeling?
a)
stoornis 1 of 2
b)
stoornis 3 of 4
c)
stoornis 5
d)
alle stoornissen
67.
Biologen onderscheiden twee typen mutatie: somatische en erfelijke mutatie. Somatische mutatie komt alleen voor in lichaamscellen. De mutantgenen die daarbij ontstaan, kunnen dus verder voorkomen in alle cellen die door deling uit die lichaamscellen zijn ontstaan. Erfelijke mutatie vindt plaats in gameten of in cellen waaruit gameten ontstaan. De mutantgenen die daar het gevolg van zijn, kunnen van generatie op generatie worden doorgegeven.
Een leerling leest de volgende bewering: "Mutatie is vaak het gevolg van fouten tijdens de verdubbeling van het DNA en soms het gevolg van fouten tijdens de kerndeling."
Geldt deze bewering uitsluitend voor erfelijke mutatie, uitsluitend voor somatische mutatie of voor beide typen mutatie?
a)
Deze bewering geldt uitsluitend voor erfelijke mutatie
b)
Deze bewering geldt uitsluitend voor somatische mutatie
c)
Deze bewering geldt zowel voor erfelijke als voor somatische mutatie
68.
Wat gebeurt er bij recombinant-DNA-techniek?
a)
Twee verschillende organismen wisselen via plasmiden stukjes DNA uit zodat er nieuwe combinaties ontstaan
b)
Een deel van het DNA van een organisme wordt in een ander organisme gebracht
c)
Door het enzym reverse transcriptase wordt RNA omgezet in DNA. Dit DNA heeft een andere combinatie van genen
d)
Een plasmide van een bacterie wordt overgebracht in een andere cel
69.
In welk rijtje staan de woorden in juiste volgorde van klein naar groot?
a)
thymine - nucleotide - triplet - DNA-molecuul - chromosoom - gen -genoom
b)
thymine - triplet - gen - nucleotide -DNA-molecuul - chromosoom - genoom
c)
thymine - nucleotide - triplet - gen - DNA-molecuul - chromosoom - genoom
d)
thymine - nucleotide - triplet - gen -genoom - DNA-molecuul - chromosoom
70.
Hier staat een stukje DNA-streng.
Uit hoeveel nucleotiden bestaat dit stukje DNA?
a)
2
b)
4
c)
6
d)
12
71.
Voor dubbelstrengs DNA geldt de volgende verhouding:
1. A/G
2. C/T
3. C/G
4. (A+C)/(G+T)
5. (A+G)/(C+T)
6. (A+T)/(G+C)
Welke verhoudingen zijn gelijk aan 1 ?
a)
1 en 2
b)
4 en 6
c)
3, 4 en 5
d)
1, 4 en 5
72.
De nucleotide-samenstelling (basenvolgorde) van een DNA streng is:
TAC CGA TTA ACA CTT ATT
De basenvolgorde in het mRNA is dan: (gebruik Binas)
a)
AUG GCU AAU UGU GAA UAA
b)
ATG GCT AAT TGT GAA TAA
c)
UTG GCT UUT TGT GUU TUU
d)
AUC CGU AAU UCU CAA UAA
73.
Gegeven is de volgende mRNA:
AUG CGC CAU UAU AAG UGA
De gevormde polypeptide is:
( gebruik Binas!)
a)
met-arg-his-tyr-lys-stop
b)
start-arg-his-tyr-lys
c)
met-arg-his-tyr-lys
d)
arg-his-tyr-lys
74.
Een deel van een bepaalde genetische code is:
AUG GCU AAU UGU GAA UAA
Op basis van deze basenvolgorde wordt een polypeptide gevormd.
Het startcodon op mRNA is AUG.
Wat is de basenvolgorde op de DNA-streng tegenover de afgelezen DNA-streng, die correspondeert met dit startcodon?
a)
TAC
b)
UAC
c)
AUG
d)
ATG
75.
Een deel van een bepaalde genetische code is:
AUG GCU AAU UGU GAA UAA
Op basis van deze basenvolgorde wordt een polypeptide gevormd.
Als de zevende base uit het gegeven molecuul verdubbelt, ontstaat een polypeptide met ___ aminozuren (Gebruik Binas!)
a)
4
b)
3
c)
5
d)
6
76.
De informatiestroom in een lichaamscel verloopt:
a)
Van DNA via RNA naar eiwit
b)
Van RNA via eiwit naar DNA
c)
Van RNA naar DNA naar eiwit
d)
van eiwit via RNA naar DNA
77.
Een mRNA codeert voor polypeptide:
met-phe-glan-gly
De code voor het laatste aminozuur is: (gebruik Binas)
a)
GGU
b)
GGG
c)
GGC
d)
alle bovengenoemde tripletten kunnen
78.
Welk van de onderstaande processen is een voorbeeld van de recombinant-DNA-techniek?
a)
Een schaap kloneren, zoals Dolly
b)
Een graanras veredelen.
c)
Een extra gen in een eicel inspuiten.
d)
en akker met pesticiden behandelen.
79.

Transcriptie is ...

a)

Het overschrijven van de mRNA-code op aminozuren

b)

Het overschrijven van de mRNA-code op DNA

c)

Het overschrijven van de DNA-code op mRNA

d)

Het overschrijven van de DNA-code op aminozuren

80.

De code voor een aminozuur noem je een codon en is ..... stikstofbasen lang

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

81.

Het hele proces van overschrijven van DNA op mRNA en het uiteindelijke vormen van een functioneel eiwit noem je...

a)

transcriptie

b)

translatie

c)

eiwitsynthese

d)

exocytose

82.

Eiwitten bestaan uit ...

a)

Stikstofbasen

b)

Codons

c)

mRNA

d)

Aminozuren

83.

Hoeveel basenparen zie je hier?

a)

2

b)

4

c)

6

d)

12

84.

Thymine vormt waterstofbruggen met:

a)

Adenine

b)

Guanine of Adenine

c)

Cytosine

d)

Adenine of Uracil

e)

Cytosine of Uracil

85.

De zijkanten van DNA zijn gemaakt van

a)

Fosfaat en deoxyribose

b)

Deoxyribose en stikstofbasen

c)

Stikstofbasen en fosfaat

d)

Deoxyribose en stikstofbasen

86.

Waar vindt de transcriptie plaats?

a)

In de mitochondrium

b)

In het cytoplasma

c)

In de kern

d)

In het endoplasmatisch reticulum

87.

Het gebied op het DNA dat codeert voor het vormen van een bepaald eiwit wordt ook wel …. genoemd

a)

Chromosoom

b)

Codon

c)

DNA

d)

Gen

e)

Anticodon

88.

In welk antwoord is het complementaire karakter van de stikstofbases in DNA goed weergegeven?

a)

C-G | A-T

b)

A-T | C-U

c)

G-T | A-C

d)

A-U | G-C

89.

Bij celdeling worden de beide strengen van DNA uit elkaar getrokken door (1). Aan de primers bindt vervolgens (2)

a)

(1) Ligase, (2) DNA-polymerase

b)

(1) Helicase, (2) DNA-polymerase

c)

(1) Ligase, (2) Okazaki-fragment

d)

(1) Helicase, (2) Okazaki-fragment

90.

Welk eiwit plakt het nieuw gerepliceerde DNA keten aan de oude DNA keten?

a)

Helicase

b)

Ligase

c)

DNA- polymerase

d)

Telomeren

91.

volgorde van replicatie

a)
3, 4, 2, 1
b)
3, 1, 4, 2
c)
2, 1, 4, 3
d)
3, 4, 1, 2
92.

U krijgt de DNA-streng 5'ATGCTCAGCTGA3'. Wat is de bijbehorende DNA-streng?

a)

5'UACGAGUCGACU3'

b)

5'TACGAGTCGACT3'

c)

3'UACGAGUCGACU5'

d)

3'TACGAGTCGACT5'

93.

Als een DNA-molecuul voor 29% uit guanine bestaat, hoeveel cytosine zal het dan bevatten?

a)
29%
b)
58%
c)
21%
d)
I have no idea.
94.

DNA fiingerprinting werkt omdat....

a)

de meeste genen dominant zijn.

b)

alle organismen bevatten RNA

c)

de belangrijkste genen zijn bij de meeste mensen verschillend

d)

Geen twee mensen, behalve eeneiige tweelingen, hebben precies hetzelfde DNA

95.

Waar vindt de translatie plaats?

a)

In de celkern

b)

In het cytoplasma

96.

Drie opeenvolgende stikstofbasen in het RNA noem je...

a)

adenines

b)

fosfaatgroepen

c)

codons

d)

anticodons

e)

mRNA

97.

Lange ketens van aminozuren heten ook wel:

a)

vetten

b)

DNA

c)

mRNA

d)

eiwitten

e)

koolhydraten

98.

Welk proces vindt er plaats op deze tekening?

a)

transcriptie

b)

transfer-RNA creëert basen

c)

translatie

d)

DNA-helix wordt opengevouwen

99.

Wat is de correcte aminozuursequentie voor de mRNA code AUGCCAGUAUGA?

a)

Met-Pro-Val-Stop

b)

Met-Pro-Arg-Stop

c)

Met-Tyr-Gly-His

d)

Tyr-Gly-Arg-His

100.

Bij het aflezen van een regulatorgen kan een ______________(1) worden gemaakt, die het aflezen en vertalen van andere genen kan ___________(2)

a)

(1) repressor, (2) blokkeren

b)

(1) repressor, (2) stimuleren

c)

(1) operator, (2) stimuleren

d)

(1) operator, (2) blokkeren

101.

Welke mutatie is hier opgetreden?

T-G-A-C-C-A

T-G-A-G-C-A

a)

Vervanging

b)

Verwijdering

c)

Invoeging

102.

Een organisme waarvan het DNA is aangepast?

a)

Transgeen

b)

Genetische gemodificeerde organisme (GMO)

c)

Human Genome Project

d)

DNA fingerprinting

103.

Tegenwoordig zijn er veel meer organismen bekend die genen van andere soorten bevatten. Het zijn onder andere de door de mens genetisch gemodificeerde organismen. Welke term wordt in de biologie gebruikt om een genetisch gemodificeerd organisme aan te duiden?

a)

Heterozygoot

b)

Kloon

c)

Mutant

d)

Transgeen