wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

5V Historische Context H1

Total questions: 23

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

Startpunt van de stedelijke dynamiek in de Nederlanden was:

a)

Atrecht

b)

Brugge

c)

Rijssel

d)

Dowaai

2.

Wat wordt bedoeld met de term 'poorters'?

a)

regenten

b)

edellieden

c)

handelaren

d)

stedelingen

3.

Op welke manieren wisten rijke kooplieden hun positie te versterken? Kies twee antwoorden.

a)

Door zich te organiseren in koopliedengilden.

b)

Door de Hanze op te richten.

c)

Door bondgenootschappen aan te gaan met edellieden.

d)

Door leningen te verstrekken aan edellieden.

4.

Welke partijen stonden tegenover elkaar bij de Guldensporenslag?

a)

patriciërs tegen feodale heren

b)

ambachtslieden tegen boeren

c)

patriciërs en ambachtslieden tegen feodale heren en boeren

d)

patriciërs en feodale heren tegen ambachtslieden en boeren

5.

Welk kenmerkend aspect past het beste bij het onderwerp stedelijke netwerken?

a)

De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden

b)

De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarischurbane samenleving

c)

Het begin van staatsvorming en centralisatie

d)

Het begin van de Europese overzeese expansie

6.

Antwerpen werd in de 14e eeuw ook belangrijke handelsstad. Wat maakte Antwerpen zo aantrekkelijk voor de handel? Kies het beste antwoord.

a)

Antwerpen was goed toegankelijk voor grote zeeschepen en had een goede verbinding met het Europese achterland.

b)

Antwerpen was goed toegankelijk voor grote zeeschepen en had een bekende vismarkt.

c)

Antwerpen had een goede verbinding met het Europese achterland en was tolerant ten opzichte van buitenlandse handelaren.

d)

Antwerpen had een goede verbinding met het Europese achterland en was door de ligging verder landinwaarts relatief goed beschermd tegen onverwachte aanvallen van over zee.

7.

Ook Amsterdam werd in de tweede helft van de 14e eeuw een belangrijke handelsstad. Wat werd er voornamelijk uit het Oostzeegebied gehaald?

a)

Wijn

b)

Graan

c)

Vis

d)

Hout

8.

Waarom botste de centralisatiepolitiek met het beleid van de Brabantse en Vlaamse steden?

a)

De steden hielden vast aan hun privileges

b)

De steden zwoeren trouw aan de Habsburgers

c)

De steden organiseerden zich in hanzen.

d)

De steden hadden een andere opvatting over het geloof

9.

Wat is een voorloper van het Lutheraanse protestantisme dat in de late middeleeuwen in de Nederlanden is ontstaan?

a)

Moderne Devotie

b)

Calvinisme

10.
In Amsterdam worden allerlei goederen opgeslagen in pakhuizen. Vanuit daar worden ze verder verhandeld. Amsterdam is een...
a)
wereldstad
b)
beurs
c)
multinational
d)
stapelmarkt
11.

Wat maakte de Republiek politiek gezien niet bijzonder?

a)

Er was geen democratie

b)

Burgers waren machtig

c)

Er was geen koning

d)

De Republiek werd bestuurd door verschillende gewesten

12.

Wat past niet bij de religieuze situatie in de Republiek?

a)

Gewetensvrijheid

b)

De gereformeerde godsdienst was het belangrijkst

c)

Over het algemeen was er tolerantie

d)

Iedereen mocht zijn geloof openbaar uiten

13.

De VOC had een handelsmonopolie in Azië. Dit hield in dat zij het alleenrecht hadden om handel te drijven in dat gebied.

a)

juist

b)

onjuist

14.

Welke twee stromingen botsen in de steden in de Lage Landen vanaf de 15e eeuw

a)

Centralisatie - particularisme

b)

Particularisme - Privileges

c)

Geheime raad - Raad van State

d)

Centralisatie - uniformering

15.

Welke factoren maakte het mogelijk dat Vlaanderen de economische positie van Atresie overnam?

a)

Handel met Italië en Frankrijk nam af

b)

De zeehaven van Brugge was aantrekkelijker voor Hanze kooplieden

c)

Atrecht werd belegerd door de Franse koning

d)

Het protestantisme in Vlaanderen zorgde voor een betere werkethos

16.

Welke partijen stonden tegenover elkaar bij de Guldensporenslag?

a)

patriciërs tegen feodale heren

b)

ambachtslieden tegen boeren

c)

patriciërs en ambachtslieden tegen feodale heren en boeren

d)

patriciërs en feodale heren tegen ambachtslieden en boeren

17.

Antwerpen werd in de 14e eeuw ook belangrijke handelsstad. Wat maakte Antwerpen zo aantrekkelijk voor de handel? Kies het beste antwoord.

a)

Antwerpen was goed toegankelijk voor grote zeeschepen en had een goede verbinding met het Europese achterland.

b)

Antwerpen was goed toegankelijk voor grote zeeschepen en had een bekende vismarkt.

c)

Antwerpen had een goede verbinding met het Europese achterland en was tolerant ten opzichte van buitenlandse handelaren.

d)

Antwerpen had een goede verbinding met het Europese achterland en was door de ligging verder landinwaarts relatief goed beschermd tegen onverwachte aanvallen van over zee.

18.

Plaats de juiste gewesten op de juiste plek op de kaart.

19.

Organize these options into the right categories

Categorize the following

Atrecht

Brugge

Amsterdam

Begin lakenhandel

Hanzekantoor

Oostzeehandel

Guldensporenslag

Stapelmarkt

Jaarmarkten

Artesië
Vlaanderen
Holland
20.

Wat betekend oligarchisering?

a)

Toename van bestuur door een kleine groep rijken

b)

Afname van bestuur door edelen

c)

Toename van bestuur door de stedelijke burgerij

d)

Toename van bestuur door een groep adellijke families

21.

Twee gegevens:

1. Rond 1636 was Oostzeehandel goed voor een inkomstenpost van 30 miljoen gulden voor de Republiek.

2. In de 17e eeuw nam het aantal kunstverzamelingen sterk toe in de Republiek.

Welke link is er tussen deze gegevens?

a)

Kunstwerken uit de Republiek waren erg gewild in de Oostzeelanden

b)

In de Oostzeelanden werd veel gehandeld in kunst. Hierdoor werden veel nieuwe collecties aangelegd

c)

In de Republiek werd veel geld verdiend. Deze winsten werden steeds vaker besteed aan kunst

22.

Wie werden er als gevolg van het Rampjaar op gruwelijke wijze vermoord?

a)

Willem III

b)

De gebroeders de Witt

c)

Johan van Oldenbarnevelt

d)

Michiel de Ruyter

23.

Waarom vielen drie landen tijdens het rampjaar de Republiek aan?

a)

Nederland viel als eerste aan

b)

Zonder Spanje was Nederland makkelijk te veroveren

c)

Nederland was economisch te machtig

d)

Nederland had een te sterk leger