wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Demografie

Total questions: 43

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de juiste formule voor het berekenen van bevolkingsdichtheid van een land?

a)

Je deelt de oppervlakte van het land door het aantal inwoners van het land.

b)

Je deelt de inwoners van een land door de oppervlakte van het land.

c)

Geen van beide antwoorden is juist.

2.

De afbeelding gaat over de bevolkingsspreiding van een gebied.

a)

Juist

b)

Onjuist

3.

Absolute getallen zijn percentages.

a)

Juist

b)

Onjuist

4.

Relatieve getallen zijn percentages.

a)

Juist

b)

Onjuist

5.

Geef aan welke onderdelen horen bij natuurlijke bevolkingsgroei.

a)

Geboortecijfer

b)

Sterftecijfer

c)

Immigratie

d)

Emigratie

6.

Er is sprake van een sterfteoverschot zodra er minder ouderen dood gaan dan dat er kinderen geboren worden.

a)

Juist

b)

Onjuist

7.

Het migratiesaldo is de som van vestiging en vertrek.

a)

Juist

b)

Onjuist

8.

Een sterfteoverschot leidt altijd tot bevolkingskrimp.

a)

Juist

b)

Onjuist

9.

Welke drie vormen van migratie zijn er?

a)

Politieke migratie

b)

Sociale migratie

c)

Economische migratie

d)

Demografische migratie

10.

Bekijk de afbeelding. Kent dit gebied vooral push- of pullfactoren?

a)

Pushfactoren

b)

Pullfactoren

11.

Bekijk de afbeelding. Kent dit gebied vooral push- of pullfactoren?

a)

Pushfactoren

b)

Pullfactoren

12.

Welke vorm van migratie zie je op de afbeelding?

a)

Politieke migratie

b)

Sociale migratie

c)

Economische migratie

d)

Demografische migratie

13.

Welke vorm van migratie zie je op de afbeelding?

a)

Politieke migratie

b)

Sociale migratie

c)

Economische migratie

d)

Demografische migratie

14.

Gezinshereniging is een vorm van:

a)

Politieke migratie

b)

Sociale migratie

c)

Economische migratie

d)

Demografische migratie

15.

De bevolkingsdiagram op de afbeelding heeft de volgende vorm:

a)

Piramide

b)

Granaat

c)

Urn

16.

De bevolkingsdiagram op de afbeelding heeft de volgende vorm:

a)

Piramide

b)

Granaat

c)

Urn

17.

De bevolkingsdiagram op de afbeelding heeft de volgende vorm:

a)

Piramide

b)

Granaat

c)

Urn

18.

De vorm van deze bevolkingsdiagram is vooral te verklaren door:

a)

Geboorteoverschot

b)

Migratie

c)

Sterfteoverschot

19.

Welke bevolkingsdiagram is het meest gunstig voor je economie op de korte termijn?

a)

b)

c)

20.

Welke bevolkingsdiagram is het meest gunstig voor je economie op de lange termijn?

a)
b)
c)
21.

Een land met slechte medische zorg heeft vaak een .... vorm als bevolkingsdiagram.

a)

Piramide

b)

Granaat

c)

Urn

22.

Waarom zijn er veel kinderen in een land met een piramidevorm als bevolkingsdiagram?

a)

Er is veel rijkdom.

b)

Er wordt nog niet aan family planning gedaan.

c)

Er is goede medische zorg.

d)

Er is zijn goede hygiënische omstandigheden.

23.

Geef aan welke onderdelen horen bij natuurlijke bevolkingsgroei.

a)

Geboortecijfer

b)

Sterftecijfer

c)

Immigratie

d)

Emigratie

24.

Er is sprake van een sterfteoverschot zodra er minder ouderen dood gaan dan dat er kinderen geboren worden.

a)

Juist

b)

Onjuist

25.

De bevolkingsdiagram van een opkomend land heeft vaak de vorm van een granaat.

a)

Juist

b)

Onjuist

26.

Op de afbeelding zie je een land waarvan de bevolking sterk toeneemt.

a)

Juist

b)

Onjuist

27.

De levensverwachting van mensen verbetert voornamelijk door de verbeteringen in de medische wereld.

a)

Juist

b)

Onjuist

28.

Welke redenen hebben mensen in arme landen om veel kinderen te krijgen?

a)

Ze zijn nodig om mee te werken.

b)

Veel kinderen sterven jong

c)

Veel mensen trouwen later.

d)

Er is geen geboorteplanning.

29.

In fase 3 van het demografisch transitiemodel groeit de bevolking nog.

a)

Juist

b)

Onjuist

30.

Een sterfteoverschot leidt altijd tot bevolkingskrimp.

a)

Juist

b)

Onjuist

31.

Het demografisch transitiemodel kent vier fasen.

a)

Juist

b)

Onjuist

32.

Welke factoren dragen bij aan het dalen van het sterftecijfer?

a)

Geboorteplanning

b)

Betere zorg

c)

Betere hygiëne

d)

Betere voedselvoorziening

33.

De bevolkingsdiagram op de afbeelding heeft de vorm van een:

a)

Piramide

b)

Granaat

c)

Urn

34.

In fase vijf van het demografisch transitiemodel ontstaat een sterfteoverschot.

a)

Juist

b)

Onjuist

35.

In 1900 was het geboorte- en sterftecijfer in Nederland hoog.

In welke fase van het demografisch transitiemodel zat Nederland toen?

a)

Fase 1

b)

Fase 2

c)

Fase 3

d)

Fase 4

36.

Wanneer vond de 'babyboom' plaats?

a)

Voor de Eerste Wereldoorlog.

b)

Na de Eerste Wereldoorlog.

c)

Voor de Tweede Wereldoorlog.

d)

Na de Tweede Wereldoorlog.

37.

Bij welke fase van het demografisch transitiemodel past de 'babyboom'?

a)

Fase 1

b)

Fase 2

c)

Fase 3

d)

Fase 4

38.

Welke twee bevolkingsgroepen worden niet-productief genoemd?

a)

Jongeren (0-20 jaar)

b)

Volwassenen (20-65 jaar)

c)

Ouderen (65+)

39.

Welke twee omstandigheden dragen bij aan een hoge demografische druk?

a)

Er zijn veel jongeren in het land.

b)

Er zijn veel werkenden in het land.

c)

Er zijn veel ouderen in het land.

d)

Er zijn weinig ouderen in het land.

40.

Door vergrijzing en ontgroening wordt de demografische druk groter.

a)

Juist

b)

Onjuist

41.

De formule om de demografische druk te berekenen is:

(0-20 jaar) + (65+ jaar) : 20-65 jaar x 100 = demografische druk.

a)

Juist

b)

Onjuist

42.

Als het aandeel ouderen in de bevolking toeneemt, noem je dat ontgroening.

a)

Juist

b)

Onjuist

43.

Geef aan welke vormen van migratie onder economische migratie vallen.

a)

Vluchtelingen

b)

Arbeidsmigratie

c)

Gezinshereniging

d)

Seizoensmigratie