wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voorkennis erfelijkheid en evolutie

Total questions: 34

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het genotype?

a)

de informatie voor een erfelijke eigenschappen van een individu

b)

alle waarneembare eigenschappen

c)

Als het DNA in één cel

d)

een gedeelte van een chromosoom dat informatie bevat voor een eigenschap

2.

Alle zichtbare eigenschappen van een organisme noemen we

a)

Fenotype

b)

Genotype

3.

In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir en zijn moeder. Heeft het jonge dier hetzelfde fenotype als het volwassen dier?

a)

juist

b)

onjuist

4.

In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir en zijn moeder. Heeft het jonge dier hetzelfde genotype als het volwassen dier?

a)

juist

b)

onjuist

5.

Sara heeft een broertje Thijs en een zusje Anna. Hebben Sara, Thijs en Anna hetzelfde DNA?

a)

juist

b)

onjuist

6.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Dna

d)

Milieu

7.

John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor dik geworden. Is er bij John het fenotype veranderd?

a)

Zeker

b)

nee, dat verandert nooit

8.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

bij de vorming van de eicel

b)

bij de bevruchting

c)

bij de geboorte

9.

DNA bevindt zich bij de mens in

a)

het cytoplasma

b)

de celkern

c)

het kernlichaampje

10.

Geslachtschromosomen bepalen of je man bent of vrouw. Welke combinatie is juist.

a)

XY = vrouw

b)

XY = man

11.

Een dominant gen komt altijd tot uiting

a)

Juist

b)

Onjuist

12.

Een eeneiige tweeling ontstaat uit....

a)

Een eicel en een zaadcel

b)

Een eicel en twee zaadcellen

c)

Twee eicellen en een zaadcel

d)

Twee eicellen en twee zaadcellen

13.

Hoeveel chromosomen heeft een geslachtscel van een mens?

a)

23

b)

32

c)

46

d)

64

14.

Wat bepaalt het geslacht van een baby?

a)

het geslachtschromosoom in de spermacel

b)

het geslachtschromosoom in de eicel

15.

Wat voor DNA zit er in je oogcellen?

a)

alleen DNA voor de kenmerken van het oog

b)

Dat ligt er aan waar in het oog het ligt

c)

Dat kan je niet weten

d)

Alle informatie van je DNA

16.

Hoeveel chromosomen zitten er in een lichaamscel van de mens?

a)

23

b)

46

c)

32

d)

64

17.

Een gen bevat informatie over ...

a)

alle erfelijke eigenschappen

b)

1 erfelijke eigenschap

c)

al het DNA

18.

In DNA wordt de stikstofbase adenine (A) gekoppeld met:

a)

A

b)

T

c)

C

d)

G

19.

Welk deel van je DNA is afkomstig van je moeder?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

100%

20.

Wat zijn allelen?

a)

Verschillen tussen chromosomen

b)

Verschillende variaties van een gen

c)

De volgorde van nucleotiden in DNA

d)

De plaats op het DNA van een bepaald gen

21.

Zitten er genen voor speeksel in cellen van de lever?

a)

Nee, die zijn daar niet nodig

b)

Ja, de lever breekt het speeksel weer af

c)

Ja, maar hier zijn deze genen inactief

22.

Verandert bij celdeling de informatie voor erfelijke eigenschappen?

a)

ja

b)

nee

23.

Een kat heeft in een lichaamcel 38 chromosomen. Hoeveel zitten er dan is een geslachtscel?

a)

38

b)

19

c)

18

d)

76

24.

Wat is de juiste volgorde van groot naar klein

a)

celkern - gen - chromosoom - stikstofbase

b)

chromosoom - gen - stikstofbase - celkern

c)

celkern - chromosoom - gen - stikstofbase

d)

celkern - stikstofbase - gen - chromosoom

25.

Wat is de juiste omschrijving bij het begrip evolutie?

a)

Evolutie is een ontwikkeling, waarbij steeds ingewikkelder gebouwde organismen ontstaan

b)

Evolutie is de geleidelijke ontwikkeling van het leven op aarde, waarbij soorten ontstaan, veranderen en/of verdwijnen

c)

Evolutie is het ontstaan van een nieuwe soort, doordat een andere soort uitsterft.

26.
Wie verzon de evolutie theorie?
a)
Albert Einstein
b)
Leonardo da Vinci
c)
Apollo
d)
Charles Darwin
27.
Het leven op het land was er eerder dan het leven in het water.
a)
Waar
b)
Niet waar
28.

Het lichaam van onze voorouders is veranderd door erfelijke variatie en natuurlijke selectie

a)

waar

b)

niet waar

29.
Zijn het ontstaan en uitsterven van diersoorten allebei onderdelen van evolutie? 
a)
juist
b)
onjuist
30.

In een bepaalde populatie komen ongeveer evenveel slakken met lichtgekleurde huisjes voor als slakken met donkergekleurde huisjes. De kleur van de huisjes is erfelijk bepaald. Door een verandering in de omgeving wordt de ondergrond waarop ze leven donkerder. Vogels eten daardoor slakken met lichte huisjes eerder op dan die met donkere. Na een paar generaties blijken er in die populatie bijna geen slakken met lichte huisjes meer te zijn. Is er in deze populatie sprake van selectie?

a)

Nee

b)

Ja, van kunstmatige selectie

c)

Ja, van seksuele selectie

d)

Ja, van natuurlijke selectie

31.

Is dit een fossiel?

a)

Ja

b)

Nee

32.

Aan welke groep zijn de gorilla’s het meest verwant volgens de stamboom?

a)

aan de apen van de oude wereld

b)

aan de apen van de nieuwe wereld

c)

aan de chimpansees

d)

aan de gibbons

33.

Door isolatie kunnen nieuwe soorten ontstaan. Wat is kenmerkend voor een soort in de biologie?

a)

Als ze qua uiterlijk op elkaar lijken

b)

Als ze hetzelfde eten

c)

Als ze nakomelingen kunnen krijgen

d)

Als ze vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen

34.

Welke onderdelen hebben de grootste kans om een fossiel te worden?

a)

botten en tanden

b)

spieren en pezen

c)

rudimenten

d)

huid en haren