wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

ademhaling & bloedsomloop lj2

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.
Welk gas heb ik nodig bij verbranding?
a)

koolstofdioxide

b)

zuurstof

c)

stikstof

d)

geen van de 3 genoemde

2.
Wat is bij deze verbranding de brandstof?
a)
de vlam
b)
het kaarsvet
c)
de zuurstof 
3.
Waarom gaat het vlammetje van de kaars uit?
a)
De koolstofdioxide in het potje raakt op
b)
De zuurstof in het potje raakt op
c)
Het lontje is te kort
d)
Het kaarsvet raakt op
4.
Wat is een indicator?
a)

Een stof waar iets inzit

b)

Een orgaan

c)

Een stof waarmee ik een andere stof aantoon (aantonen = laten zien dat het er is)

d)

Een stof waarmee ik een andere stof weg krijg

5.

Wat kan ik aantonen (aantonen = laten zien dat het er is) met helder kalkwater?

a)

zuurstof

b)

stikstof

c)

koolstofdioxide

d)

helium

6.
Wat is waar?
a)
In uitgeademde lucht zit meer zuurstof dan ingeademde lucht
b)
in ingeademde lucht zit meer koolstofdioxide dan uitgeademde lucht
c)
In ingeademde lucht zit meer zuurstof dan uitgeademde lucht
d)
In ingeademde lucht zit evenveel zuurstof als uitgeademde lucht
7.

Welke weg legt de ingeademde lucht af in het ademhalingsstelsel? Geef het juiste antwoord aan.

a)

Neusholte-strottenhoofd-keelholte-luchtpijp-bronchie

b)

neusholte-bronchie-strottenhoofd-keelholte-luchtpijp

c)

neusholte-keelholte-strottenhoofd-luchtpijp-bronchie

d)

keelholte-neusholte-strottenhoofd-luchtpijp-bronchie

8.
Wat is juist?
a)
De huig sluit de luchtpijp af
b)
Het strotklepje sluit de luchtpijp af
c)
De huig sluit de neusholte en de luchtpijp af
d)
Het strotklepje sluit de neusholte en luchtpijp af
9.
Het is beter om door je neus in te ademen omdat.....
a)

De lucht hierdoor gezuiverd wordt van stof en bacteriën en warm en droger wordt

b)

De lucht hierdoor gezuiverd wordt van stof en bacteriën, kouder en vochtiger wordt

c)

De lucht hierdoor warmer, vochtiger en gezuiverd wordt

d)

De lucht hierdoor gezuiverd,droger en kouder wordt

10.

Gaswisseling kan snel plaats vinden in de longblaasjes omdat?

a)

ze een heel groot oppervlak samen hebben

b)

ze een dikke wand hebben

c)

ze makkelijk glucose kunnen uitwisselen

d)

ze makkelijk water kunnen uitwisselen

11.

Welk nummer stelt de huig voor?

a)

1

b)

10

c)

2

d)

8

12.

Lucht kan zowel ingeademd worden via de neus als de mond.

a)

Waar

b)

Niet waar

13.

Uitgeademde lucht bevat veel koolstofdioxide en weinig zuurstof.

a)

Waar

b)

Niet waar

14.

glucose + .... → .... + water + energie

a)

Zuurstof → koolstofdioxide

b)

Zuurstof → butaan

c)

Koolstofdioxide → zuurstof

d)

Waterdamp → zwavel

15.

Bij verbranding komen afvalstoffen vrij. Dit zijn:

a)

water en zuurstof

b)

zuurstof en koolstofdioxide

c)

koolstofdioxide en suiker

d)

water en koolstofdioxide

16.

Bij verbranding zijn stoffen nodig om iets te kunnen laten branden. Dit zijn:

a)

brandstof en water

b)

water en koolstofdioxide

c)

koolstofdioxide en zuurstof

d)

zuurstof en brandstof

17.

Je ziet hier een afbeelding van het ademhalingsstelsel. Nummer 3 is:

a)

de huig

b)

het strottenhoofd

c)

de luchtpijp

d)

de schildklier

18.

Je ziet hier een afbeelding van het ademhalingsstelsel. De naam van nummer 11 is:

a)

de long

b)

de bronchie

c)

de luchtpijp

d)

de longblaasjes

19.

Je ziet hier een tekening van een longblaasje. Bevindt zich bij letter P veel zuurstof?

a)

ja

b)

nee

20.

Bij inademen worden de longen gevuld met lucht. Inademen komt tot stand doordat ...

a)

de tussenribspieren zich aanspannen en het middenrif zich aanspant

b)

de tussenribspieren zich aanspannen en het midden rif zich ontstpant

c)

de tussenribspieren zich ontspannen en het middenrif zich aanspant

d)

de tussenribspieren zich ontspannen en het midden rif zich ontspant

21.

Bij uitademen legen de longen zich, de lucht wordt uitgeblazen. Uitademen komt tot stand doordat ...

a)

de tussenribspieren zich aanspannen en het middenrif zich aanspant

b)

de tussenribspieren zich aanspannen en het middenrif zich ontstpant

c)

de tussenribspieren zich ontspannen en het middenrif zich aanspant

d)

de tussenribspieren zich ontspannen en het middenrif zich ontspant

22.

Uitgeademde lucht bevat meer ..?

a)

Zuurstof (O2)

b)

Stikstof (N)

c)

Koolstofdioxide (CO2)

d)

Waterstof (H)

23.

Waar vindt de gasuitwisseling plaats?

a)

overal

b)

nr 6, 7 en 8

c)

nr 6

d)

nr 8

e)

geen juist antwoord

24.

Welk gas komt vrij bij het proces van verbranding?

a)

zuurstofgas

b)

glucose

c)

voedingsstoffen

d)

koolstofdioxide

25.

Waarom zit er kraakbeen om de luchtpijp heen?

a)

Zodat de luchtpijp beter dicht kan

b)

Zodat de luchtpijp steviger is

c)

Zodat de luchtpijp goed op zijn plek blijft

26.

Wat gebeurt er in de longblaasjes?

a)

Koolstofdioxide gaat uit het bloed en zuurstof gaat in het bloed

b)

Zuurstof gaat uit het bloed en koolstofdioxide gaat in het bloed

c)

Koolstofdioxide en zuurstof gaan beiden het bloed in

d)

Koolstofdioxide en zuurstof gaan beiden het bloed uit

27.

Welke twee soorten ademhaling zijn er?

a)

Rug- en buikademhaling

b)

Borst- en buikademhaling

c)

Middenrif- en borstademhaling

28.

Deze afbeelding is een voorbeeld van...

a)

osmose

b)

diffusie

c)

geleide diffusie

d)

actief transport

29.

De afbeelding geeft verschillende moleculen weer die in en uit de cel bewegen. Op welke manier beweegt molecule C uit de cel?

a)

actief transport

b)

diffusie

c)

transport met behulp van een membraaneiwit

d)

molecuul C kan zich niet uit de cel bewegen

30.

Welke afbeelding stelt DIFFUSIE voor? (high = hoog & low = laag)

a)
b)