Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

SU en VS - havo

Total questions: 50

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Wie was de grondlegger van het Communisme?

a)

Vladimir Lenin

b)

Thomas Jefferson

c)

Karl Marx

d)

Nicolaas II

2.

Uit welk jaar komt het Communistisch Manifest?

a)

1848

b)

1860

c)

1878

d)

1902

3.

Welke klasse stond onderaan in een klassenmaatschappij?

a)

De ondernemersklasse

b)

De geestelijkheid

c)

De arbeidersklasse

d)

De middenklasse

4.

Uit welke stroming kwam het communisme voort?

a)

Liberalisme

b)

Socialisme

c)

Confessionalisme

d)

Anarchisme

5.

Welke gematigde stroming kwam uit het socialisme?

a)

Nationaal Socialisme

b)

Internationaal Socialisme

c)

Sociaal Democratie

d)

Sociaal Nationalisme

6.

Wat zou er volgens Marx ontstaan bij een klassenstrijd?

a)

Een oorlog

b)

Een democratie

c)

Een tirannie

d)

Een revolutie

7.

Met welk land kreeg Rusland in 1905 oorlog?

a)

China

b)

Japan

c)

Duitsland

d)

Ottomaanse Rijk

8.

Wie was voor 1917 de baas in Rusland?

a)

De keizer

b)

De tsaar

c)

De koning

d)

De communistisch leider

9.

In Rusland waren voor 1917 vooral veel?

a)

Arbeiders

b)

Soldaten

c)

Boeren

d)

Communisten

10.

Wat is een geheime politie?

a)

Politiemacht die geheime operaties uitvoert

b)

Politiemacht die politieke tegenstanders opspoort

c)

Politiemacht die de tsaar beschermt

d)

Politiemacht die elkaar controleert

11.

Hoe werden de communisten in Rusland genoemd?

a)

Mensjewieken

b)

Bolsjewieken

c)

Socialisten

d)

Sociaal democraten

12.

In welke maand was in Rusland de eerste Revolutie in 1917?

a)

Januari

b)

Februari

c)

Maart

d)

April

13.

In welke maand was de communistische revolutie van 1917?

a)

September

b)

Oktober

c)

November

d)

December

14.

In welk jaar stierf Lenin

a)

1917

b)

1924

c)

1928

d)

1933

15.

Als de staat eigenaar wordt van alle bedrijven noemen we dat?

a)

Communisatie

b)

Kolchoz

c)

Collectivisatie

d)

Nationalisatie

16.

Wat voor economie voerde Stalin in?

a)

Planeconomie

b)

Vrije markt economie

c)

Staatseconomie

d)

Nationaal economie

17.

Gezamenlijke boerderijen waren?

a)

Bolsjewieken

b)

Collectivisatie

c)

Kolchozen

d)

Mensjewieken

18.

Wat deden boeren die niet wouden meehelpen aan de collectivisatie?

a)

In opstand komen

b)

Vluchten

c)

Hun eigen vee afslachten

d)

Niets

19.

Waren vrouwen in de Sovjet-Unie belangrijk?

a)

Ja, want ze deden mee als werknemers

b)

Ja, want ze zorgden voor de kinderen van de arbeiders

c)

Nee, vrouwen mochten niets

d)

Vrouwen kregen geen speciale behandeling

20.

De nieuwe elite in de Sovjet-Unie kwam vooral uit welke klasse?

a)

Arbeidersklasse

b)

Ondernemersklasse

c)

Ambtenarenklasse

d)

Boerenklasse

21.

Het christendom was in de Sovjet-Unie?

a)

Toegestaan

b)

Toegestaan, maar niet actief

c)

Niet toegestaan, maar niet veroordeeld

d)

Helemaal niet toegestaan

22.

Waar kwamen tegenstanders van Stalin terecht?

a)

In het buitenland

b)

Op een begraafplaats

c)

In Siberië

d)

In de politiek, want Stalin was voor kritiek

23.

Wat voor staat werd de Sovjet-Unie onder Stalin?

a)

Nationale Staat

b)

Totalitaire Staat

c)

Internationale Staat

d)

Democratische Staat

24.

Wat is een schijnproces?

a)

Een proces dat eigenlijk niet bestond

b)

Een proces dat niet eerlijk verliep

c)

Een proces zonder gevolgen

25.

Wat was er wel in de Sovjet-Unie?

a)

Religie

b)

Vrijheid

c)

Politieke tegenstanders

d)

Werk voor de bevolking

26.

Wanneer was de Grote Terreur?

a)

Rond 1920

b)

Rond 1930

c)

Rond 1940

d)

Rond 1950

27.

In welk land braken na de Eerste Wereldoorlog ook communistische revoluties uit?

a)

Frankrijk

b)

Spanje

c)

Italië

d)

Duitsland

28.

Uit welk continent kwamen de slaven in de Verenigde Staten voornamelijk?

a)

Afrika

b)

Azië

c)

Europa

d)

Oceanië

29.

Uit welk land kwamen de eerste kolonisten in (noord) Amerika?

a)

Duitsland

b)

Rusland

c)

Engeland

d)

Nederland

30.

In welk jaar werd de slavernij in Amerika afgeschaft?

a)

1813

b)

1856

c)

1863/1865

d)

1877

31.

Uit welk land kwamen rond 1850 een groot gedeelte van de bevolking naar de Verenigde Staten?

a)

Rusland

b)

Japan

c)

Ierland

d)

Nederland

32.

Wat was er in Amerika niet belangrijk?

a)

Vrijheid

b)

Democratie

c)

De leider

d)

De grondwet

33.

Een economie waarin de overheid zich weinig bemoeid noemen we een?

a)

Vrijemarkteconomie

b)

Planeconomie

c)

Kenniseconomie

d)

Basiseconomie

34.

Van krantenjongen tot miljonair hoor bij welk land?

a)

Rusland

b)

Nederland

c)

Duitsland

d)

De VS

35.

Welk begrip hoort bij deze foto?

a)

Planeconomie

b)

Vrijemarkteconomie

c)

Amerikanisering

d)

Beurskrach

36.

In welk jaar stortte de Amerikaanse economie in?

a)

1927

b)

1928

c)

1929

d)

1930

37.

Wat was geen oorzaak van de economische crisis in Amerika?

a)

Mensen met schulden

b)

Consumenten die niets meer kochten

c)

Verkopen van aandelen

d)

Boeren die teveel produceerden

38.

Als mensen aandelen verkopen dan?

a)

Verliezen mensen direct hun baan

b)

Stopt de markteconomie

c)

Komt er meteen een crisis

d)

Dan worden bedrijven meteen minder waard

39.

Waarom leidde de Amerikaanse crisis tot een Wereldwijde crisis?

a)

Omdat Amerika veel koloniën in de wereld bezat

b)

Omdat Amerikaanse bedrijven veel handel dreven

c)

Omdat iedereen in de wereld betaalde met de dollar

d)

Omdat alle bedrijven in Amerika zaten

40.

Wat betekent protectionisme?

a)

Het beschermen van het land

b)

Het beschermen van de handel

c)

Voorzichtig zijn met het leger

d)

Voorzichtig zijn met de handel

41.

Wie voerde de New Deal in?

a)

Kennedy

b)

Washington

c)

Roosevelt

d)

Stalin

42.

Het bouwen van een dam door de overheid?

a)

Was goed voor bedrijven

b)

Was goed voor de werkgelegenheid

c)

Zorgde voor meer schulden

d)

Zorgde voor de economische crisis

43.

De landbouw kreeg geld om minder te produceren in Amerika. Waarom?

a)

Omdat de landbouw een tekort had

b)

Omdat in Europa meer werd geproduceerd

c)

Omdat er anders teveel werd geproduceerd

d)

Omdat er teveel dieren waren

44.

De Amerikaanse regering vroeg bedrijven om meer te betalen. Waarom deed de Sovjet-Unie dit nooit?

a)

Omdat bedrijven altijd goed betaalden in de SU

b)

Omdat er nooit een economische crisis was in de SU

c)

Omdat er in de SU geen vrije bedrijven bestonden

d)

De SU vroeg niets, maar deed alles gewoon maar

45.

Welk begrip hoort bij dit plaatje?

a)

New Deal

b)

Beurskrach

c)

Economische crisis

d)

Collectivisering

46.

Welk begrip hoort het best bij dit plaatje?

a)

Collectivisering

b)

Economische crisis

c)

Eenpartijstaat

d)

Grote Terreur

47.

Wat is de goede volgorde?

a)

Schuld > Bedrijf failliet > Lenen

b)

Lenen > Schuld > Bedrijf failliet

c)

Bedrijf failliet > Schuld > Lenen

48.

Zet de personen op juiste tijdsvolgorde

a)

Roosevelt > Lenin > Stalin > Nicolaas II

b)

Lenin > Nicolaas II > Stalin > Roosevelt

c)

Nicolaas II > Lenin > Stalin > Roosevelt

d)

Roosevelt > Stalin > Nicolaas II > Lenin

49.

Wie werd er vooral veroordeeld tijdens een schijnproces?

a)

De gewone boer

b)

De gewone arbeider

c)

Belangrijke politici

d)

Belangrijke generaals

50.

Wat is de beste onderstaande match

a)

VS > Collectivisatie

b)

VS > Planeconomie

c)

VS > Eenpartijstaat

d)

VS > Economische crisis