Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling politiek + criminaliteit Mask

Total questions: 62

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

Welk begrip moet op de puntjes in tekst 19 worden ingevuld?

a)

eigenrichting

b)

klassenjustitie

c)

recidive

d)

resocialisatie

2.

Om wat voor criminaliteit gaat het bij tekst 19?

a)

materiële schade

b)

immateriële schade

3.

Bij een rechtszitting waarbij een verdachte terechtstaat voor bijvoorbeeld zware mishandeling, hebben zowel de verdachte als het slachtoffer een bepaald recht. Welk recht is dat?

Zij hebben beiden het recht om:

a)

de samenstelling van de jury mede te bepalen.

b)

een requisitoir te houden

c)

getuigen te ondervragen

d)

op de zitting te mogen spreken

4.

Welk begrip moet op de puntjes bij 1?

(a)  

5.

Welk begrip moet op de puntjes bij 2?

(a)  

6.

Criminaliteit is ....... en ........ gebonden.

a)

Familie en Cultuur

b)

Plaats en Omstandigheden

c)

Plaats en Tijd

d)

Tijd en Geslacht

7.

Sinds 2019 is appen op de fiets in Nederland verboden. Dit is een voorbeeld van:

a)

Tijdgebonden criminaliteit

b)

Plaatsgebonden criminaliteit

8.

Ik beroof iemand van zijn portemonnee.


Is dit:

a)

Asociaal

b)

Een overtreding

c)

Een misdrijf

9.

Ik fiets door rood.


Is dit:

a)

Asociaal

b)

Een overtreding

c)

Een misdrijf

10.

Van wie is deze uitspraak? "Ik hoop dat de rechter rekening wil houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.''

a)

Officier van Justitie

b)

Getuige

c)

Advocaat

d)

Verdachte

11.

Maak de zin af. Een uitspraak van de rechtbank noemen we een:

(a)  

12.

Wat is een dagvaarding?

a)

één dag in de cel zitten

b)

een taakstraf die maar één dag duurt

c)

oproep om voor de rechter te verschijnen

13.
Bij welke politieke stroming hoort het CDA?
a)
Liberale stroming
b)
Socialistische stroming
c)
Christendemocratische stroming
d)
Ecologische stroming
14.
Bij welke politieke stroming hoort de Partij voor de Dieren?
a)
Liberale stroming
b)
Socialistische stroming
c)
Christendemocratische stroming
d)
Ecologische stroming
15.
Bij welke politieke stroming hoort D66?
a)
Liberale stroming
b)
Socialistische stroming
c)
Christendemocratische stroming
d)
Ecologische stroming
16.
Bij welke politieke stroming hoort DENK?
a)
Liberale stroming
b)
Socialistische stroming
c)
Christendemocratische stroming
d)
Ecologische stroming
17.
Bij welke politieke stroming hoort Forum voor de Democratie?
a)
Liberale stroming
b)
Socialistische stroming
c)
Christendemocratische stroming
d)
Ecologische stroming
18.
Economische vrijheid, vrijheid om te ondernemen
a)
Liberale stroming
b)
Socialistische stroming
c)
Christendemocratische stroming
d)
Ecologische stroming
19.
Rentmeesterschap
a)
Liberale stroming
b)
Socialistische stroming
c)
Christendemocratische stroming
d)
Ecologische stroming
20.
Geen aantasting van natuur en milieu: milieuvriendelijk en duurzaam produceren en consumeren
a)
Liberale stroming
b)
Socialistische stroming
c)
Christendemocratische stroming
d)
Ecologische stroming
21.
Relatief grote rol van de overheid
a)
Liberale stroming
b)
Socialistische stroming
c)
Christendemocratische stroming
d)
Ecologische stroming
22.
Welk kenmerk hoort bij de rechts-extremistische stroming?
a)
Centraal leiderschap
b)
Particulier initiatief
c)
Waarden als naastenliefde en verantwoordelijkheid
d)
Dereguleren
23.
Welk kenmerk hoort bij de rechts-extremistische stroming?
a)
Internationale solidariteit
b)
Christelijke geloof als inspiratiebron
c)
Komt vooral op in tijden van angst en crisis
d)
Ppolitieke grondrechten staan centraal
24.

Van welke vorm van criminaliteit is er sprake in de tekst?

a)

van fraude

b)

van georganiseerde criminaliteit

c)

van heling

d)

van zware criminaliteit

25.

Uit onderzoek is gebleken dat er een aantal verklaringen zijn over het ontstaan van criminaliteit.

Wat is de meest logische verklaring waarom de vier kinderen uit de tekst in de criminaliteit terecht zijn gekomen?

a)

 De leerprocessen in het gezin zijn niet goed gegaan.

b)

Er is een gebrek aan maatschappelijke bindingen.

c)

Er is sprake van problematisch drugsgebruik.

d)

Ze werden door de omgeving al als crimineel gezien en kwamen niet meer van dat etiket af.

26.

Bij het verklaren van crimineel gedrag bestaan twee soorten verklaringen: individueel crimineel gedrag of criminaliteit als maatschappelijk verschijnsel. Hieronder staan vier uitspraken.

Geef van de volgende uitspraak aan of deze past bij de individuele of bij de maatschappelijke verklaring van crimineel gedrag.

Uitspraak: Het feit dat leerprocessen van belang zijn

a)

Individueel

b)

maatschappelijk

27.

Geef van de volgende uitspraak aan of deze past bij de individuele of bij de maatschappelijke verklaring van crimineel gedrag.

Uitspraak: het feit dat als iemand eenmaal een misdrijf heeft begaan, hij weinig kans krijgt van de omgeving om zich te verbeteren

a)

Individueel

b)

maatschappelijk

28.

Geef van de volgende uitspraak aan of deze past bij de individuele of bij de maatschappelijke verklaring van crimineel gedrag.

Uitspraak: het hebben van aangeboren eigenschappen

a)

individueel

b)

maatschappelijk

29.

Geef van de volgende uitspraak aan of deze past bij de individuele of bij de maatschappelijke verklaring van crimineel gedrag.

Uitspraak: het verkrijgen van status in een groep

a)

individueel

b)

maatschappelijk

30.

Hieronder staan vier soorten beleid ten aanzien van criminaliteit.

Van welke twee soorten beleid is sprake bij de methode BASTA!?

a)

gevangenisbeleid

b)

jeugdbeleid

c)

vervolgingsbeleid

d)

preventief beleid

31.

Over welk beleid gaat het voorstel uit de tekst?

a)

jeugdbeleid

b)

opsporingsbeleid

c)

repressief beleid

d)

preventief beleid

32.

Wat voor beleid wil de afdeling Handhaving om straatintimidatie tegen te gaan?

a)

gevangenisbeleid

b)

preventief beleid

c)

repressief beleid

d)

vervolgingsbeleid

33.

Beleid kan een preventieve of een repressieve werking hebben. Uit de tekst valt op te maken dat het beleid veranderd is.

Is het beleid uit de preventiever of repressiever geworden? Leg je antwoord uit.

a)

Preventiever

b)

repressiever

34.

In welke regels staan repressieve maatregelen van de politie?

1. De politie heeft tijdens een bromfietscontrole voertuigen getest op snelheid.

2. Vier bestuurders kregen een bekeuring omdat hun voertuig te snel ging.

3. De bromfietsen moeten ook herkeurd worden voordat er weer mee gereden mag worden.

4. Een 16-jarige jongen probeerde door te rijden. Hij kreeg een boete omdat hij het rijverbod had genegeerd.

5. Eén bromfiets had een gladde band en twee bestuurders reden zonder helm op de bromfiets.

a)

in regel 1 en regel 3

b)

 in regel 2 en regel 4

c)

in regel 1 en regel 5

d)

in regel 2 en regel 5

35.

Een gemeenteraad heeft de mogelijkheid om in de eigen gemeente strafbare feiten vast te stellen, maar deze gemeentelijke regels mogen niet ingaan tegen landelijk vastgestelde regels.

Wat voor soort strafbare feiten mogen door een gemeenteraad worden vastgesteld?

a)

alleen misdrijven

b)

alleen overtredingen

c)

misdrijven en overtredingen

36.
Wat is géén kenmerk van onze parlementaire democratie?
a)
Volksvertegenwoordigers
b)
Vrije verkiezingen
c)
Machtenscheiding
d)
Grondrechten
37.
Wie heeft er géén wetgevende macht?
a)
Regering
b)
Parlement
c)
Provinciale staten
d)
College van B en W
38.
Wie van de volgende heeft de uitvoerende macht?
a)
Rechtbank
b)
Parlement
c)
Gemeenteraad
d)
Gedeputeerde staten
39.
Wat is géén kenmerk van onze rechtsstaat?
a)
Burgers worden beschermt tegen de macht van de overheid.
b)
De overheid dient de rechtsorde te handhaven.
c)
De machten zijn wettelijk gescheiden.
40.
Welk kenmerk past bij een dictatuur?
a)
Censuur
b)
Grondrechten
c)
Vrije verkiezingen
d)
Trias politica
41.
Wat is een bekend knelpunt van de politieke besluitvorming?
a)
Het kost te veel geld om tot besluiten te komen.
b)
Er is een kloof tussen burgers en politici.
c)
Nederland heeft te weinig invloed binnen Europa.
d)
Burgers weten niet wat politici doen.
42.
Wat kan een oplossing zijn voor de weinige invloed die burgers hebben op de landelijke politieke besluitvorming?
a)
Gekozen burgemeester.
b)
Opnieuw invoeren van stemplicht.
c)
Vaker rerenda houden.
d)
Meer plaatsen in de Tweede Kamer.
43.
Wat is een bindend referendum? 
a)
Een referendum waarbij je als burger moet stemmen. 
b)
Een referendum waarbij er moet worden gestemd in de Tweede Kamer.
c)
Een referendum waarbij de regering moet doen wat de kiezers stemmen.
d)
Een referendum waarbij er moet worden gestemd in de Eerste Kamer
44.
Wat is een bekend voordeel van een referendum? 
a)
Volksvertegenwoordigers hebben minder macht.
b)
De media kan mensen beter informeren over de keuzes.
c)
Burgers moeten 'ja' of 'nee' kiezen; dat is een duidelijke keuze.
d)
Burgers kunnen meer belangstelling krijgen voor politiek.
45.
Wat is een nadeel van een referendum?
a)
De media kan invloed hebben op de mening van de burgers.
b)
Kiezers hebben direct invloed op het politieke proces.
c)
Groeperingen kunnen zo invloed krijgen.
d)
Het maakt de volksvertegenwoordigers te machtig.
46.
Wat is een bekend knelpunt van de politieke besluitvorming?
a)
Het kost te veel geld om tot besluiten te komen.
b)
Er is een kloof tussen burgers en politici.
c)
Nederland heeft te weinig invloed binnen Europa.
d)
Burgers weten niet wat politici doen.
47.
Wat kan een oplossing zijn voor de weinige invloed die burgers hebben op de landelijke politieke besluitvorming?
a)
Gekozen burgemeester.
b)
Opnieuw invoeren van stemplicht.
c)
Vaker rerenda houden.
d)
Meer plaatsen in de Tweede Kamer.
48.
Wat is een bindend referendum? 
a)
Een referendum waarbij je als burger moet stemmen. 
b)
Een referendum waarbij er moet worden gestemd in de Tweede Kamer.
c)
Een referendum waarbij de regering moet doen wat de kiezers stemmen.
d)
Een referendum waarbij er moet worden gestemd in de Eerste Kamer
49.
Wat is een bekend voordeel van een referendum? 
a)
Volksvertegenwoordigers hebben minder macht.
b)
De media kan mensen beter informeren over de keuzes.
c)
Burgers moeten 'ja' of 'nee' kiezen; dat is een duidelijke keuze.
d)
Burgers kunnen meer belangstelling krijgen voor politiek.
50.
Wat is een nadeel van een referendum?
a)
De media kan invloed hebben op de mening van de burgers.
b)
Kiezers hebben direct invloed op het politieke proces.
c)
Groeperingen kunnen zo invloed krijgen.
d)
Het maakt de volksvertegenwoordigers te machtig.
51.

Welk begrip moet op de puntjes in tekst 19 worden ingevuld?

a)

eigenrichting

b)

klassenjustitie

c)

recidive

d)

resocialisatie

52.

Om wat voor criminaliteit gaat het bij tekst 19?

a)

materiële schade

b)

immateriële schade

53.

Bij een rechtszitting waarbij een verdachte terechtstaat voor bijvoorbeeld zware mishandeling, hebben zowel de verdachte als het slachtoffer een bepaald recht. Welk recht is dat?

Zij hebben beiden het recht om:

a)

de samenstelling van de jury mede te bepalen.

b)

een requisitoir te houden

c)

getuigen te ondervragen

d)

op de zitting te mogen spreken

54.

Welk begrip moet op de puntjes bij 1?

(a)  

55.

Welk begrip moet op de puntjes bij 2?

(a)  

56.

Criminaliteit is ....... en ........ gebonden.

a)

Familie en Cultuur

b)

Plaats en Omstandigheden

c)

Plaats en Tijd

d)

Tijd en Geslacht

57.

Sinds 2019 is appen op de fiets in Nederland verboden. Dit is een voorbeeld van:

a)

Tijdgebonden criminaliteit

b)

Plaatsgebonden criminaliteit

58.

Ik beroof iemand van zijn portemonnee.


Is dit:

a)

Asociaal

b)

Een overtreding

c)

Een misdrijf

59.

Ik fiets door rood.


Is dit:

a)

Asociaal

b)

Een overtreding

c)

Een misdrijf

60.

Van wie is deze uitspraak? "Ik hoop dat de rechter rekening wil houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.''

a)

Officier van Justitie

b)

Getuige

c)

Advocaat

d)

Verdachte

61.

Maak de zin af. Een uitspraak van de rechtbank noemen we een:

(a)  

62.

Wat is een dagvaarding?

a)

één dag in de cel zitten

b)

een taakstraf die maar één dag duurt

c)

oproep om voor de rechter te verschijnen