wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 5 BS 1 en BS 2_Erfelijkheid_3HV

Total questions: 26

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

In welk celorganel kun je chromosomen vinden?

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Cytoplasma

d)

Celmembraan

2.

Welk begrip hoort er op de puntjes?

"Een ... is een stukje DNA dat codeert voor één bepaalde erfelijke eigenschap."

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Chromosoom

d)

Gen

3.

Wat zijn chromosomen?

a)

Opgerolde slierten DNA waarop informatie voor erfelijke eigenschappen ligt

b)

Stukjes eiwitten voor de opbouw van weefsels

c)

Stukjes koolhydraten voor de opbouw van spieren

d)

Lekker bij de spaghetti

4.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving?

"Alle genen bij elkaar verzameld."

a)

Genotype

b)

Fenotype

5.

Op het plaatje zie je hoe mitose (celdeling) in zijn werk gaat. Zijn de genotypen van de dochtercellen gelijk aan de moedercel of niet?

a)

De genotypen van de dochtercellen zijn gelijk aan die van de moedercel

b)

De genotypen van de dochtercellen zijn verschillend aan die van de moedercel

6.

Giel heeft blond haar en groene ogen. Zijn de genen voor blond haar ook aanwezig in cellen van de ogen van Giel?

a)

Ja, en beide genen in de cellen van de ogen zijn actief.

b)

Ja, maar de genen voor groene ogen zijn daar wel actief en de genen voor blond haar niet.

c)

Nee, want beide genen in de cellen van de ogen zijn niet actief.

d)

Nee, want anders zou de oogkleur anders zijn.

7.

Welk woord hoort bij de volgende omschrijving?

"Alle zichtbare EN onzichtbare eigenschappen van een organisme".

a)

Genotype

b)

Fenotype

8.

Het fenotype kan door meerdere factoren worden beïnvloed. Welk van de onderstaande factoren heeft invloed op het fenotype van een organisme?

a)

Genotype

b)

Omgeving

c)

Leefstijl

9.

Bij bevruchting vindt er samensmelting van de celkernen van de eicel en de zaadcel plaats. Is het genotype van de bevruchte eicel hetzelfde of verschillend als dat van de onbevruchte eicel?

a)

Hetzelfde, want ge genotypen van de eicel en de zaadcel worden gemengd.

b)

Hetzelfde, want de genotypen van de eicel en de zaadcel worden niet gemengd.

c)

Verschillend, want de genotypen van de eicel en de zaadcel worden gemengd.

d)

Verschillend, want de genotypen van de eicel en de zaadcel worden niet gemengd.

10.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

Bij de vorming van de eicel

b)

Bij de bevruchting

c)

Bij de geboorte

11.

Wanneer ligt het fenotype van een iemand vast?

a)

Bij de vorming van de eicel

b)

Bij de bevruchting

c)

Bij de geboorte

d)

Nooit

12.

John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor beter ontwikkeld. Is het fenotype van John veranderd?

a)

Ja

b)

Nee

13.

John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor beter ontwikkeld. Is het genotype van John veranderd?

a)

Ja

b)

Nee

14.

In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir en zijn moeder. Heeft het jonge dier hetzelfde fenotype als het volwassen dier?

a)

juist

b)

onjuist

15.

Sara heeft een broertje Thijs en een zusje Anna. Hebben Sara, Thijs en Anna hetzelfde DNA?

a)

juist

b)

onjuist

16.

Hoeveel chromosomen heeft een cel van de maagwand?

a)

2

b)

23

c)

46

d)

Dat kun je niet weten

17.

Geslachtschromosomen bepalen of je man bent of vrouw. Welke combinatie is juist.

a)

XY = vrouw

b)

XY = man

18.

Is een genotype te veranderen?

a)

ja

b)

nee

19.
In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir. Twee jaar later is hij volwassen geworden. Heeft  het jonge dier hetzelfde fenotype als het volwassen dier? 
a)
juist
b)
onjuist
20.

Waar in je lichaam komen genen voor?

a)

Niet in geslachtscellen en niet in lichaamscellen

b)

Alleen in geslachtscellen

c)

Alleen in lichaamscellen

d)

In alle lichaamscellen en geslachtscellen

21.

Waarom zijn genen belangrijk?

a)

Genen bevatten informatie over je erfelijke eigenschappen.

b)

Genen zorgen ervoor dat alle processen in de cel goed verlopen.

c)

Genen bepalen hoe je eruit ziet.

22.

In een eicel zit erfelijk materiaal van vader en moeder

a)

waar

b)

niet waar

23.

Chromosomen zitten in ...............

a)

Het DNA

b)

de genen

c)

de celkern

24.

Wat ontstaat er bij de deling van een moedercel?

a)

een kindercel

b)

een dochtercel

c)

een zooncel

d)

een nakomelingcel

25.

Is DNA bij iedereen verschillend

a)

ja

b)

nee

c)

weet ik niet

26.

Twee geslachtscellen hebben samen evenveel chromosomen als één lichaamscel.

a)

Juist

b)

Onjuist