wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

HV 2 Toetsvoorbereiding H2, Van de bergen naar de zee

Total questions: 30

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Een exogene kracht is?

a)

Een kracht van binnenuit de aarde die de aardkorst verandert

b)

Een kracht van buiten het aardoppervlak dat de aardkorst verandert

c)

Een kracht dat veel verweringsmateriaal creërt

2.

Welk proces dat materiaal op een plek aflevert is mede-verantwoordelijk voor het ontstaan van de Alpen?

a)

Erosie

b)

Chemische verwering

c)

Sedimentatie

3.

Welke bewering is waar?

a)

Erosie is een exogeen proces en een aardbeving is een endogene kracht

b)

Sedimentatie en erosie zijn beide een endogene kracht

c)

Verwering is een endogene kracht

d)

Vulkaanuitbarstingen zijn een exogene kracht

4.

Als een rivier snel stroomt dan is er:

a)

Meer erosie dan sedimentatie

b)

Meer sedimentatie dan erosie

c)

Evenveel erosie als sedimentatie

5.

Welke beweringen zijn waar?

a)

Gletsjerrivier = Rivier gevoed door smeltwater van een gletsjer en regenwater

b)

Een gemengde rivier = Rivier die smeltwater van gletsjers en regenwater afvoert.

c)

Regenrivier = Rivier die volledig afhankelijk is van regenwater

d)

Regenrivier = Rivier die een klein beetje gevoed wordt door het smeltwater van een gletsjer, maar voornamelijk door regen

6.

In welk gedeelte van de rivier kun je dit tegenkomen?

a)

Bovenloop

b)

Middenloop

c)

Benedenloop

d)

Delta

7.

Daniek zegt: "In de bovenloop zijn kleine hoogteverschillen"

a)

Dat is onjuist

b)

Dat is juist

8.

Welke beweringen zijn goed

a)

Bij een estuarium vindt erosie plaats

b)

Bij een estuarium vindt sedimentatie plaats

c)

Bij een delta vindt erosie plaats

d)

Bij een delta vindt sedimentatie plaats

9.
a)

Dit is een U-dal gevormd door een rivier

b)

Dit is een U-dal gevormd door een gletsjer

c)

Dit is een V-dal gevormd door een rivier

d)

Dit is een V-dal gevormd door een gletsjer

10.
a)

Dit is een U-dal gevormd door een rivier

b)

Dit is een U-dal gevormd door een gletsjer

c)

Dit is een V-dal gevormd door een rivier

d)

Dit is een V-dal gevormd door een gletsjer

11.

Het trager stromen van het water en het afzetten van materiaal gebeurt in de ....

a)

bovenloop

b)

benedenloop

c)

middenloop

d)

gletsjer

12.

Het neerleggen van materiaal door, bijvoorbeeld stromend water, heet sedimentatie. Welke sedimenten bestaan er?

a)

grind

b)

zand

c)

löss

d)

klei

13.

Waar vindt erosie en sedimentatie plaats in de rivier?

a)

binnenbocht = sedimentatie, buitenbocht = erosie

b)

buitenbocht = erosie, binnenbocht = erosie

c)

binnenbocht = sedimentatie, buitenbocht = sedimentatie

d)

binnenbocht = erosie, buitenbocht = sedimentatie

14.

Zet in goede volgorde van de stroming

a)

Delta, middenloop, benedenloop, bovenloop

b)

Bovenloop, middenloop, benedenloop, delta

c)

Bovenloop, benedenloop, middenloop, delta

d)

Delta, benedenloop, middenloop, bovenloop

15.

Waar begint de rivier?

a)

benedenloop

b)

middenloop

c)

bovenloop

d)

onderloop

16.

Wat voor rivier is de Rijn

Stroomrivier

Gemengde rivier

Regenrivier

Gletsjerrivier

a)

stroomrivier

b)

gemengde rivier

c)

regenrivier

d)

gletsjerrivier

17.

Wat is een stroomgebied?

a)

Het gebied waar een rivier de zee in stroomt

b)

Rivier dat alleen regen afvoer

c)

Het gebied wat afwatert op een rivier

d)

Het veranderen van vloeistof water in waterdamp

18.

Wat betekend monding van een rivier?

a)

Alle zijrivieren van een hoofdrivier

b)

Het midden van de rivier

c)

Een scheurende werking van de rivier

d)

Het gebied waar de rivier de zee instroomt

19.

In de buitenbocht van een rivier stroomt het water...?

a)

niet

b)

snel

c)

langzaam

d)

gesedimenteerd

20.

Welke 3 factoren bepalen de kracht en hoogte van een golf?

a)

1De kracht van de wind

2De periode dat de wind waait

3De afstand die de golven hebben afgelegd

b)

1De snelheid van de wind

2De periode dat de wind waait

3De oploping van de kust

c)

1De kracht van de wind

2Het type water, zout water remt namelijk af

3De oploping van de kust

21.

Wat is een branding?

a)

Plek waar de golven breken in ondiep water (aan de kust)

b)

Plek waar het water in brand staat

c)

Een hele hete plek in een vulkaan

d)

Plek waar de golf begint

22.

Wat bepaalt of de kust wordt opgebouwd of wordt afgebroken?

a)

De kracht van de golf

b)

De kracht van de terugstroom

c)

Het gesteente aan de kust

d)

Of er wel of niet genoeg duinen / dijken zijn aangelegd

23.

Geef aan of de volgende stelling juist is of onjuist:

Bij een zwakke terugstroom heb je te maken met een afbraakkust

a)

Juist

b)

Onjuist

24.

Dit is een voorbeeld van een ....

a)

Afbraakkust

b)

Aanslibbingskust

25.

Dit is een voorbeeld van een ...

a)

Aanslibbingskust

b)

Afbraakkust

26.

Is de volgende uitspraak goed of fout?

Het verhang van de bovenloop van de Rijn is groter dan het verhang van de benedenloop van de Rijn

a)

Goed

b)

Fout

27.

Is de volgende uitspraak goed of fout?

In de benedenloop van de rivier de Rijn vindt vooral erosie plaats

a)

Goed

b)

Fout

28.

Wat voor soort verwering zie je hier?

a)

Mechanische verwering door vorst

b)

Chemische verwering

c)

Mechanische verwering door temperatuurverschillen

29.

Geef aan juist of onjuist:

Tijdens een glaciaal is het heel koud in deze tijd groeien gletsjers aan.

a)

Juist

b)

Onjuist

30.

Geef aan juist of onjuist:

In de zee die 100 miljoen jaar geleden tussen Afrika en Europa lag, vond sedimentatie plaats.

a)

Juist

b)

Onjuist