Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2c2 h1 herhaling

Total questions: 30

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Welke foto hoort bij het landbouwtype 'veeteelt'?

a)
b)
c)
d)
e)
2.

Welke foto hoort bij het landbouwtype 'akkerbouw'?

a)
b)
c)
d)
e)
3.

Welke foto hoort bij het landbouwtype 'tuinbouw'?

a)
b)
c)
d)
4.

Schaalvergroting wil zeggen dat je een groter bedrijf maakt voor een grotere productie. Je richt je op één productieproces.

a)

Juist

b)

Onjuist

5.

bloemen – vlees – graan – zuivelproducten

Welk woord hoort er niet in het rijtje thuis?

a)

Bloemen, wordt niet geëxporteerd.

b)

Vlees, wordt niet geëxporteerd.

c)

Graan, wordt niet geëxporteerd.

d)

Zuivelproducten, wordt niet geëxporteerd.

6.

grasland – West-Nederland – koeien – eieren

Welk woord hoort niet thuis in dit rijtje?

a)

Grasland

b)

West Nederland

c)

Koeien

d)

Eieren

7.

Een auto is een voorbeeld van ...

a)

stukgoederen

b)

droog massagoed

c)

nat massagoed

8.

Wat is een voorbeeld van een stukgoed?

a)

Olie

b)

Pakjes sinaasappelsap

c)

Kolen

d)

Ertsen

9.

Wat is een voorbeeld van een stukgoed?

a)

Olie

b)

Pakjes sinaasappelsap

c)

Kolen

d)

Ertsen

10.

Stukgoederen zijn lichter dan massagoederen

a)

Waar

b)

Niet waar

11.

De aanvoer van ertsen gebeurt met de trein en duwboot.

a)

Waar

b)

Niet waar

12.
Multinational
a)
Het gebied dat voor de aanvoer en afvoer van goederen een haven nodig heeft.
b)
Land dat goederen verdeelt over het achterland
c)
Verbindingen tussen plaatsen.
d)
Groot bedrijf dat in veel landen een fabriek of kantoor heeft.
13.

Wat is de primaire sector?

a)

Industriële sector

b)

Landbouw sector

c)

Diensten Sector

14.

Beroepen in de bouw en industrie horen bij de:

a)

Primaire sector

b)

Tertiaire sector

c)

Secundaire sector

15.

Welke 3 beroepen horen bij de primaire sector

a)

Akkerbouwer, metselaar, visser

b)

Veeteler, mijnwerker, lasser

c)

Tuinbouwer, visser groenteboer

d)

Akkerbouwer, visser, mijnwerker

16.

Op welke plaats is er vraag en aanbod van arbeiders

(a)  

17.

Steenkool is een voorbeeld van ...

a)

stukgoed

b)

natte massagoed

c)

droge massagoed

18.

Wat is geen vestigingsplaatsfactor?

a)

Snelwegen (bereikbaarheid)

b)

Voldoende voedsel

c)

Grondstoffen

d)

Fabrieken

(agglomeratie-effect)

19.

Multinationals zijn....

a)

Bedrijven die in één land gevestigd zijn

b)

Mensen met één nationaliteit

c)

mensen met meerdere nationaliteiten

d)

Bedrijven die in meerder landen gevestigd zijn

20.

Kies de beste vestigingsplaatsfactoren

a)

een hoogopgeleide arbeidsmarkt en goede verbindingen

b)

aanwezigheid van grondstoffen en verbindingen

c)

goede arbeidsmarkt,

rijke afzetmarkt, verbindingen

d)

goedkope arbeidsmarkt, grondstoffen en ligging

21.

Industriële inertie

a)

Een bedrijf blijft zitten waar het zit

b)

Een bedrijf past zich aan en zoekt nieuwe vestigingsplaatsfactoren

c)

Een bedrijf verhuist mee met de vestigingsplaatsfactoren

d)

Een bedrijf gaat zich op andere klanten richten

22.

Vroeger was het handig voor een fabriek om zich dichtbij grondstoffen te vestigen.

a)

waar

b)

niet-waar

23.

Schaalvergroting wil zeggen dat je een groter bedrijf maakt voor een grotere productie. Je richt je op één productieproces.

a)

Juist

b)

Onjuist

24.

Een machine die het werk overneemt... Welk begrip past hierbij?

a)

Intensivering

b)

Mechanisatie

c)

Genetische modificatie

d)

Specialisatie

25.

Specialisatie in de landbouw is

a)

Er komen steeds grotere landbouwbedrijven

b)

Het ene landbouwbedrijf verbouwt graan het andere landbouwbedrijf verbouwt aardappels

c)

In een bepaald deel van het jaar is er veel werk op het landbouwbedrijf

d)

Er worden steeds meer machines in de landbouw gebruikt

26.

Seizoensarbeid in de landbouw is

a)

Er komen steeds grotere landbouwbedrijven

b)

Het ene landbouwbedrijf verbouwt graan het andere landbouwbedrijf verbouwt aardappels

c)

In een bepaald deel van het jaar is er veel werk op het landbouwbedrijf

d)

Er worden steeds meer machines in de landbouw gebruikt

27.

in Friesland vind je vooral

a)

vleesveeteelt

b)

zuivelveeteelt

c)

akkerbouw

d)

groenten en bloemen

28.

In Twente vind je v eel

a)

vleesveeteelt

b)

zuivelveeteelt

c)

akkerbouw

d)

groenten en bloemen

29.

In Oost-Groningen en Drenthe vind je veel

a)

vleesveeteelt

b)

zuivelveeteelt

c)

akkerbouw

d)

groenten en bloemen

30.

In het Westland vind je veel

a)

vleesveeteelt

b)

zuivelveeteelt

c)

akkerbouw

d)

groenten en bloemen