wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefententamen Recht

Total questions: 49

Worksheet time: 2hrs 38mins

Name
Class
Date
1.

Rechtsregels zijn dwingend of aanvullend van aard. Vraag: Welke bewering is juist?

A. Wanneer gehandeld wordt in strijd met een regel van dwingend recht, leidt dit tot nietigheid. B. In het privaatrecht komen uitsluitend regels van dwingend recht voor.

C. Van een dwingende rechtsregel mag worden afgeweken, indien beide partijen daarmee uitdrukkelijk akkoord gaan.

a)

A

b)

B

c)

C

2.

In Boek 6 van het BW is het algemene verbintenissenrecht terug te vinden. In Boek 7 van het BW is onder meer de huurovereenkomst geregeld. Stel nu dat er in een specifieke situatie sprake is van een tegenstrijdigheid tussen de regels van Boek 6 en de regels van Boek 7 ten aanzien van een huurovereenkomst.

Vraag: Welke rangorde is in dit geval van toepassing?

A Hogere regelingen gaan voor lagere regelingen, dus de regels van Boek 6 gaan voor.

B Bijzondere regelingen gaan voor algemene regelingen, dus de regels van Boek 7 gaan voor.

C Beide regelingen zijn gelijktijdig tot stand gekomen, dus een rechter moet oordelen welke regeling voorgaat.

a)

A

b)

B

c)

C

3.

Soms wordt een arbeidsovereenkomst beëindigd op initiatief van de werkgever. Vraag: In welk geval dient een werkgever zich tot het UWV te wenden om een ontslagvergunning te krijgen?

A In geval van langdurige ziekte van de werknemer.

B In geval van een verstoorde arbeidsrelatie.

C In geval van disfunctioneren van de werknemer.

a)

A

b)

B

c)

C

4.

Vraag: Welk beginsel speelt geen rol bij Collectief ontslag?

A Het anciënniteitbeginsel

B Het eenheidsbeginsel

C Het afspiegelingsbeginsel

a)

A

b)

B

c)

C

5.

Vraag: In welke overeenkomst kan de werkgever een geldig concurrentiebeding opnemen?

A In de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van de 16-jarige Jorg, bij een telecomaanbieder.

B In de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met de 40-jarie Willy, die in de catering gaat werken.

C Bij de 19-jarige Pascalle die een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij een nagelstudio krijgt.

a)

A

b)

B

c)

C

6.

Vraag: Welk hieronder genoemd alternatief vormt geen onderdeel van de ketenregeling?

A Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd mag maximaal twee maal voor bepaalde tijd worden verlengd. Bij een derde verlenging en dus de vierde overeenkomst is sprake van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

B In totaal mogen opeenvolgende contracten samen niet langer dan 36 maanden duren. Als de termijn van 36 maanden is overschreden dan is vanaf het moment van overschrijden sprake van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

C In totaal mogen opeenvolgende contracten samen niet langer dan 36 maanden duren. Als de termijn van 36 maanden is overschreden dan rust op de werkgever de verplichting met de werknemer in gesprek te gaan tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

a)

A

b)

B

c)

C

7.

Lieke sluit een arbeidsovereenkomst met het ‘Wespennest’ In de overeenkomst wordt een proeftijd opgenomen van 3 maanden. Op grond van dwingend recht mag een proeftijd maximaal 2 maanden duren.

Vraag: Wat betekent dit voor het proeftijdbeding in de arbeidsovereenkomst?

A Het proeftijdbeding is nietig

B Het proeftijdbeding is venietigbaar

C De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden

a)

A

b)

B

c)

C

8.

Vraag: In welke situatie is geen opzegverbod van toepassing?

A De baas van Nelis wil de arbeidsovereenkomst beëindigen, omdat Nelis te mondig is.

Nelis is lid van de ondernemingsraad

B De baas van Niels wil Niels op staande voet ontslaan, omdat Niels geld verduisterd heeft. Niels is lid van de ondernemingsraad.

C De baas van Karin, wil haar ontslaan, omdat zij zwanger is. Karin is geen lid van de ondernemingsraad.

a)

A

b)

B

c)

C

9.

Vraag: Wat is een kenmerk van een overeenkomst van opdracht?

A Er is sprake van een inspanningsverplichting.

B Er is sprake van een resultaatverplichting.

C Er is sprake van een gezagsverhouding

a)

A

b)

B

c)

C

10.

Zelfs indien een overeenkomst niet door partijen als een arbeidsovereenkomst gekwalificeerd wordt, zijn toch de bepalingen van Titel 10 van boek 7 BW van toepassing.

Vraag: In welk artikel is dit wettelijk geregeld?

A art. 7:610 lid 2 BW

B art. 7:620 BW

C art. 7:629a lid 1 BW

a)

A

b)

B

c)

C

11.

Hans laat de hond van zijn goede vriend Pim uit. Hij heeft heeft beestje goed aangelijnd. Tijdens het uitlaten bijt de hond Joris, die joviaal groetend op zijn fiets toevallig voorbij kwam.

Vraag: Wie is aansprakelijk voor de schade van de hondenbeet, die Joris lijdt?

A Hans want hij was verantwoordelijk

B Pim want hij is bezitter

C Geen van beiden, de hond was immers keurig aangelijnd. Joris had beter op moeten letten.

a)

A

b)

B

c)

C

12.

Vraag: In welk geval is niet automatisch sprake van strijd met de conformiteitsregel?

A Een product heeft ten tijde van de aflevering niet de eigenschappen die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten.

B Een product dat geleverd wordt heeft een andere maat en gewicht dan is overeengekomen.

C Een product dat geleverd wordt is niet zo mooi als de afbeelding in de reclame.

a)

A

b)

B

c)

C

13.

Vraag: In welke situatie is geen sprake van consumentenkoop?

A Jan-Willem koopt een huis om samen met zijn vrouw en kind in te gaan wonen.

B Hank-jan koopt een fiets om dagelijks mee naar zijn werkgever, C&C BV, te rijden.

C Eva-Roos koopt een paard om mee te gaan doen aan dressuurwedstrijden.

a)

A

b)

B

c)

C

14.

Vraag: Wat is bij een koopovereenkomst, geen verplichting van de koper?

A De koper dient zich te houden aan de conformiteitsregel.

B De koper dient bij de aankoop van een registergoed de koopprijs bij ondertekening van de transportakte buiten zijn macht te

brengen.

C De koper dient zijn medewerking te verlenen bij de aflevering van de zaak

a)

A

b)

B

c)

C

15.

Vraag: In welk van de onderstaande alternatieven is er geen sprake van kwalitatieve aansprakelijkheid?

A De moeder van de 6-jarige Flip, wordt aansprakelijk gesteld voor de schade de Flip heeft veroorzaakt toen hij een bal door de ruit van de buren trapte.

B Albert Heijn wordt aansprakelijk gesteld voor de schade die een medewerker heeft veroorzaakt toen hij een doos liet vallen op de teen van een klant.

C Bart wordt aansprakelijk gesteld voor de schade die veroorzaakt werd, toen hij als gevolg van een hartaanval tegen een lantaarnpaal van de gemeente reed.

a)

A

b)

B

c)

C

16.

Vraag: Wat is geen rechtvaardigingsgrond?

A Noodweer

B Afwezigheid van schuld

C Overmacht

a)

A

b)

B

c)

C

17.

Sander is supporter van PSV. Een fel beruchte tegenstander van de club is momenteel in de stad. Het loopt altijd uit op een fikse ruzie tussen de supporters van beide clubs. Sander gaat samen met zijn voetbalvrienden de straat op, op zoek naar supporters van de tegenstander. Uiteraard loopt het ook deze avond uit de hand. Frank, die ook is aangesloten bij de groep, duwt Wesley – supporter van de tegenstander - tegen de grond een schopt hem in het gezicht. Wesley houdt hier blijvend letsel aan over en wil de schade verhalen.

Vraag: Zou Wesley Sander mogelijk met succes aansprakelijk kunnen stellen voor de schade?

A Nee, Sander is niet aansprakelijkheid

B Ja, Sander draagt als lid van de groep een schuldaansprakelijkheid

C Ja, Sander draagt als lid van de groep een risicoaansprakelijkheid

a)

A

b)

B

c)

C

18.

Er is pas sprake van een onrechtmatige daad indien aan een aantal criteria is voldaan. Vraag: Wat is géén criterium bij het vaststellen van een onrechtmatige daad?

A Toerekenbaarheid

B Schade

C Hoofdelijkheid

a)

A

b)

B

c)

C

19.

Bert wil met zijn vriend Bart een samenwerking aangaan, het doel is snel veel winst maken . De vrouw van Bart is niet enthousiast. Ze wil dat Bart de onderneming zo vorm geeft dat hij privé niet aansprakelijk is.

Vraag: voor welke vorm kan Bart het beste kiezen?

A Een VOF

B Een BV

C Een stichting

a)

A

b)

B

c)

C

20.

Vraag: Wat is geen orgaan van een BV?

A De algemene vergadering van aandeelhouders

B De raad van comissarissen

C De voltallige directie

a)

A

b)

B

c)

C

21.

Lise, Nada en Saar hebben samen een nagelstudio die oorspronkelijk van de moeder van Lise was. De moeder van Lise is sinds kort met pensioen, maar haar kapitaal zal ze in de zaak laten zitten. Er is daartoe een commanditaire vennootschap opgericht, waarvan de moeder van Lise commanditaire vennoot is geworden.

Vraag: Wat is juist ten aanzien van haar positie?

A Zij heeft geen aandeel in de winst van de vennootschap, maar is wel aansprakelijk voor de eventuele vennootschapsschulden.

B Ze is als stille vennoot hoofdelijk aansprakelijk voor de vennootschapsschulden.

C Zij is hoofdelijk aansprakelijk te stellen als zij namens de vennootschap extern optreedt.

a)

A

b)

B

c)

C

22.

Zoë is van plan te gaan ondernemen; ze gaat tweedehands meubels opknappen en verkopen, met het oog snel winst te maken. Ze heeft weinig geld, dus ze besluit vanuit huis te starten. Vanwege de kosten, is haar geadviseerd te kiezen voor een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid.

Vraag: Welke ondernemingsvorm is het meest geschikt?

A Een besloten vennootschap.

B Een vennootchap onder firma.

C Een eenmanszaak.

a)

A

b)

B

c)

C

23.

Vraag: Wat is een onjuiste bewering over de NV en de BV?

A Zowel een NV als een BV hebben vrij overdraagbare aandelen.

B Zowel een NV als een BV hebben een afgescheiden vermogen.

C Zowel een NV als een BV worden opgericht middels een notariële akte.

a)

A

b)

B

c)

C

24.

Vraag: Een verschil tussen een onderneming mét rechtspersoonlijkheid en een onderneming zónder rechtspersoonlijkheid is:

A Een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid heeft een afgescheiden vermogen.

B Een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid is geen rechtssubject.

C Een onderneming met rechtspersoonlijkheid is een rechtsobject.

a)

A

b)

B

c)

C

25.

De kunstenaars Jaap en Jelle hebben samen een Vennootschap onder Firma met de naam“ VOF de Kunst”, opgericht. Jaap sluit namens de VOF een autoverzekering voor het bestelbusje dat ze hebben gekocht voor de uitoefening van het bedrijf.

Vraag: Wie kan de verzekeraar aanspreken voor de betaling van de verschuldigde premies voor de verzekering?

A Jaap, Jelle & de VOF.

B Enkel Jaap, hij heeft de verzekering afgesloten.

C De verzekeringsovereenkomst is aangegaan namens de VOF, dus enkel de VOF

a)

A

b)

B

c)

C

26.

Vraag: Wat is geen bron van verbintenis?

A Overeenkomst

B Onrechtmatige daad

C Verrekening

a)

A

b)

B

c)

C

27.

De inhoud van een verbintenis wordt in eerste instantie bepaald door de afspraken van partijen. Vraag: welke factoren kunnen nog meer een rol spelen bij het bepalen van de inhoud?

A De wet, gewoonterecht en het vertrouwensbeginsel.

B De wet, rechtvaardigingsgronden en redelijkheid en billijkheid

C De wet, gewoonterecht en redelijkheid en billijkheid

a)

A

b)

B

c)

C

28.

Raf komt Floor tegen op het moment dat hij zijn kantoor uit loopt in het centrum van Eindhoven. Al pratend met elkaar biedt Raf aan Floor zijn fiets te koop aan voor een bedrag van € 650,=. Floor gaat niet op het aanbod in en enige tijd later wordt het gesprek beëindigd. De dag erna heeft Floor spijt van en stuurt ze Raf een bericht dat ze het aanbod de fiets voor € 650,= te kopen, alsnog aanvaardt.

Vraag: Is er een overeenkomst tot stand gekomen?

A Ja. Het aanbod is immers binnen een redelijke termijn aanvaard.

B Nee. Doordat het aanbod niet direct aanvaard is, heeft het zijn geldigheid verloren.

C Ja. Raf en Floor kennen elkaar, Floor mag er op vertrouwen dat het aanbod ook een dag later nog geldig is.

a)

A

b)

B

c)

C

29.

Zoë heeft een Iphone besteld bij een grote winkelketen. Ze heeft het verschuldigde aankoopbedrag direct overgemaakt. Na ontvangst van de betaling, wordt de Iphone direct toegezonden. Bij het openmaken van de doos, ziet Zoë dat het bedrijf niet 1, maar per ongeluk 2 Iphones heeft toegestuurd.

Vraag: Op grond van welk wetsartikel dient Zoë de tweede Iphone terug te sturen?

A art. 6:203 BW

B art. 5:21 BW

C art. 6: 198 BW

a)

A

b)

B

c)

C

30.

Een handelsonderneming koopt relatiegeschenken in en verkoopt deze door aan zakelijke klanten. Eén klant heeft de laatste 8 leveranties nog niet betaald. De handelsonderneming staakt verdere leveranties aan de klant, vanwege de achterstallige betalingen.

Vraag: Welke stelling is juist?

A De klant kan de nog openstaande betaling opschorten.

B De klant kan geen verdere leveranties meer eisen.

C De klant kan de overeenkomst rauwelijks ontbinden.

a)

A

b)

B

c)

C

31.

Joep heeft bij een antiek-groothandel een 100 jaar oude piano gekocht. De groothandel spreekt af de piano daags daarna af te leveren bij Joep. Bij het naar beneden takelen van de piano uit het magazijn breekt een kabel en valt de piano in 63 stukken, hij is onherstelbaar beschadigd.

Vraag: Wat is juist?

A Er kan door Joep rauwelijks ontbonden worden.

B Er kan door Joep ontbonden worden na ingebrekestelling.

C Er kan door Joep ontbonden worden na aansprakelijkheidstelling.

a)

A

b)

B

c)

C

32.

Het beginsel van contractsvrijheid is een belangrijk aspect in ons alledaagse privaatrecht. Partijen dienen echter ook rekening te houden met de eisen van redelijkheid en billijkheid.

Vraag: Welke stelling is juist ten aanzien van de redelijkheid en billijkheid?

A De redelijkheid en billijkheid hebben slechts een aanvullende werking.

B De redelijkheid en billijkheid hebben slechts een beperkende werking.

C De redelijkheid en billijkheid hebben zowel een beperkende, als een aanvullende werking.

a)

A

b)

B

c)

C

33.

Vraag: Wat is geen wijze waarop een verbintenis teniet gaat?

A Vermenging

B Afstand

C Opschorting

a)

A

b)

B

c)

C

34.

Vraag: Welke bewering is juist?

A Vernietiging van een rechtshandeling heeft terugwerkende kracht.

B Een rechtshandeling kan uitsluitend vernietigd worden via een rechterlijke uitspraak.

C De vernietiging van een rechtshandeling wordt door een rechter van rechtswege vastgesteld, ook als partijen hier niet om hebben verzocht.

a)

A

b)

B

c)

C

35.

Roos koopt op een veiling een antiek vaasje voor een bedrag van € 9.500,=. Voorafgaande aan de veiling heeft zij het vaasje uitvoerig geïnspecteerd. Het vaasje is onmiskenbaar een zeer waardevol exemplaar! Vlak nadat Roos het vaasje gekocht heeft laat zij het bekijken door een verzekeringsexpert. Die stelt vast dat het vaasje een vervalsing is, ondanks het certificaat van echtheid. Na onderzoek blijkt dat de verkoper wist dat het om een vervalsing ging. Vraag: Waarvan is in dit geval sprake?

A Bedrog

B Dwaling

C Misbruik van omstandigheden

a)

A

b)

B

c)

C

36.

Bij het aangaan van een overeenkomst worden vaak algemene voorwaarden van toepassing verklaard. Vraag: Welke stelling ten aanzien van algemene voorwaarden is onjuist?

A Algemene voorwaarden mogen geen kernbedingen betreffen, deze worden opgenomen in de overeenkomst.

B Algemene voorwaarden zijn slechts van toepassing voor zover ze niet op de grijze lijst voorkomen.

C Algemene voorwaarden worden onderdeel van de overeenkomst door aanbod en aanvaarding.

a)

A

b)

B

c)

C

37.

Vraag: Wat is geen goede reden om een beroep op vernietiging van een beding in de door de gebruiker van toepassing verklaarde algemene

voorwaarden te doen?

A Het beding is gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst onredelijk bezwarend voor de wederpartij.

B De gebruiker heeft aan de wederpartij geen redelijke mogelijkheid gegeven om van de algemene voorwaarden kennis te nemen.

C De wederpartij heeft de algemene voorwaarden ontvangen, maar heeft gezien de omvang van de tekst van de voorwaarden, onvoldoende gelegenheid gehad ze door te nemen.

a)

A

b)

B

c)

C

38.

Vraag: Wat is de “grijze lijst”?

A bedingen die in algemene voorwaarden opgenomen kunnen worden, die jegens een consument zonder meer onredelijk bezwarend zijn. Er is geen tegenbewijs toegestaan als een consument zich op vernietiging beroept.

B bedingen die in algemene voorwaarden opgenomen kunnen worden, die jegens een consument onredelijk bezwarend kunnen zijn. Bij succesvol tegenbewijs door de gebruiker van de algemene voorwaarden kan het beding echter standhouden.

C bedingen die in algemene voorwaarden opgenomen kunnen worden, die jegens elke wederpartij onredelijk bezwarend kunnen zijn. Er is soms wel en soms geen tegenbewijs toegestaan, dit is afhankelijk van of de gebruiker of wederpartij zich op vernietiging beroept.

a)

A

b)

B

c)

C

39.

Pebbels bestelt een bank bij Seats&Sofas. Zij vindt bij de kassa het boekje met algemene voorwaarden. Na een vluchtige blik op het 15 artikelen tellend geschrift te hebben geworpen rekent ze af. Als de bank niet op de afgesproken datum arriveert en ze nakoming van de afspraak eist, wijst de verkoper hem op artikel 8 van de algemene voorwaarden, waarin de koper het recht wordt ontzegd nakoming te eisen. Vraag: Welke stelling is juist?

A Pebbels kan artikel 8 van de algemene voorwaarden vernietigen, omdat die op de grijze lijst voorkomt .

B Pebbels kan artikel 8 van de algemene voorwaarden nu vernietigen, omdat die op de zwarte lijst voorkomt.

C Pebbels kan de vernietigbaarheid van artikel 8 van de algemene voorwaarden niet meer inroepen, omdat zij de voorwaarden voordat ze afrekende heeft gezien.

a)

A

b)

B

c)

C

40.

Vraag: Kan een producent de aansprakelijkheid die hij heeft op grond van afdeling 3 van boek 6 van het BW uitsluiten of beperken?

A Dit kan enkele middels een exoneratieclausule in de algemene voorwaarden.

B Nee, de regeling is van dwingend recht.

C Uitsluiten kan niet, beperken bij overeenkomst kan wel.

a)

A

b)

B

c)

C

41.

Vraag: bij welke schade speelt de franchise van euro 500,- een rol?

A BIj gevolgschade

B Bij transactieschade

C Bij letselschade

a)

A

b)

B

c)

C

42.

Wietje gaat op een stoel staan en de poot breekt af. Als gevolg daarvan breekt ze haar been. Nader onderzoek wijst uit dat het ontwerp van de stoel niet opgewassen is tegen staan op de zitting. Vraag: Kan de producent aansprakelijk gehouden worden voor de letselschade?

A Nee, Wietje had niet op de stoel moeten gaan staan, daar is een stoel niet voor bedoeld.

B Ja, de producent had er rekening mee moeten houden dat stoelen soms gebruikt worden om op te staan.

C Dit is afhankelijk van het feit of er nog sprake is van garantie.

a)

A

b)

B

c)

C

43.

Koyoti maakt auto’s in Japan. Zij gebruikt hierbij onderdelen van toeleverancier Y. Import B.V. haalt de auto’s vervolgens naar Nederland, waar de plaatselijke Toyota-dealer de auto’s verkoopt aan de klanten. Stel dat blijkt dat één van de auto’s ondeugdelijk is en schade toebrengt aan een klant.

Vraag: Wie is/zijn (allemaal) aansprakelijk als producent(en) van de auto op grond van de regeling productaansprakelijkheid?

A Alleen de Koyoti fabriek in Japan en Import B.V.

B Alleen de Koyoti fabriek in Japan, toeleverancier Y en Import B.V.

C De Koyoti fabriek in Japan, toeleverancier Y, Import B.V. en de plaatselijke Toyota dealer.

a)

A

b)

B

c)

C

44.

De regeling productenaansprakelijkheid is een risicoaansprakelijkheid. Vraag: Welk juridisch voordeel brengt dat met zich mee?

A De benadeelde hoeft geen causaal verband te bewijzen.

B De benadeelde hoeft geen schuld te bewijzen.

C De benadeelde hoeft geen schade te bewijzen.

a)

A

b)

B

c)

C

45.

Floor koopt een strijkijzer bij Cmarket van het merk Zootje. Het strijkijzer is geproduceerd door Zootje B.V. Zodra Floor de snoer van het strijkijzer in het stopcontact steekt ontstaat er kortsluiting die een grote vonk veroorzaakt. Het strijkijzer is onherstelbaar beschadigd. De zaakschade bedraagt € 85,=. Ook moet Floor zelf langs de eerste hulp vanwege een brandwond op haar hand. De onverzekerde ziektekosten bedragen € 150,=. Het komt vast te staan dat er sprake was van een productiefout.

Vraag: Welke schade dient te worden vergoed op grond van de regeling productenaansprakelijkheid?

A De zaakschade

B De letselschade

C Zowel de zaakschade, als de letselschade

a)

A

b)

B

c)

C

46.

Vraag: In welk geval is de werkgever aansprakelijk voor schade van de werknemer?

A De werkgever heeft alle veiligheidsmaatregelen genomen die redelijkerwijs van hem verwacht mogen worden, maar toch wordt een winkelmeisje bij het sluiten van de winkel overvallen. Ze raakt psychisch volledig in de war en kan niet meer werken, als gevolg waarvan ze de nodige schade lijdt.

B Henk dient op zijn werk op een bouwplaats een helm te dragen volgens de geldende voorschriften. Henk is te laat en loopt zonder helm de bouwplaats op, waar hij hoofdletsel oploopt door een vallende dakpan.

C Een werkgever heeft niet alle ARBO-voorschriften met betrekking tot een goede werkplek overgenomen, als gevolg waarvan Ria met rugklachten thuis komt te zitten.

a)

A

b)

B

c)

C

47.

Vraag: Wat is geen voorwaarde voor werkgeversaansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen van en werknemer?

A Er moet sprake zijn van een onrechtmatige daad die aan de werknemer kan worden toegerekend.

B De onrechtmatige daad is gepleegd 'in dienst' van de werkgever.

C De werkgever wist van de onrechtmatige daad die de werknemer gepleegd heeft.

a)

A

b)

B

c)

C

48.

Karin heeft een koeriersbedrijf. Een koerier die bij Karin in dienst is, rijdt doordat hij even afgeleid is, tijdens werktijd met een bedrijfsauto tegen de fiets van Kees aan.

Vraag: Kan Kees bij Karin aankloppen voor schadevergoeding?

A Ja, op grond van een wettelijke risico-aansprakelijk van Karin

B Ja, op grond van een wettelijke schuld-aansprakelijk van Karin

C Nee, Kees kan niet aankloppen bij Karin, de koerier had beter op moeten letten en dient zelf de schade te vergoeden.

a)

A

b)

B

c)

C

49.

Anne spreekt af met haar zoon dat zij hem op 31 december 2020 een geldbedrag van € 2.500,= zal schenken. Vraag: Wat is juist?

A De schenking van Anne aan haar zoon is een eenzijdige rechtshandeling en een eenzijdige overeenkomst.

B De schenking van Anne aan haar zoon is een meerzijdige rechtshandeling en een meerzijdige overeenkomst.

C De schenking van Anne aan haar zoon is een meerzijdige rechtshandeling en een eenzijdige overeenkomst.

a)

A

b)

B

c)

C