wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Brugklas: Thema 2 organen en cellen

Total questions: 40

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.
Welk orgaan valt niet onder het verteringsstelsel?
a)
dikke darm
b)
dunne darm
c)
hart
d)
maag
2.
Welk onderdeel heeft een dierlijke cel niet?
a)
Kern
b)
Celmembraan
c)
Celwand
d)
Cytoplasma
3.

Waar in een plantencel vindt fotosynthese plaats?

a)

Celkern

b)

Cytoplasma

c)

Bladgroenkorrels

d)

Celwand

4.

Een groep organen die samen een bepaalde functie hebben is een ......

a)

Cel

b)

Weefsel

c)

Orgaan

d)

Organenstelsel

e)

Organisme

5.

De lever hoort bij het .......

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Verteringsstelsel

c)

Spierstelsel

d)

Zenuwstelsel

6.

Zie je in de afbeelding één of meerdere weefsels?

a)

één weefsel

b)

meerdere weefsels

7.

Onderdeel 1 heet

a)

Cytoplasma

b)

Vacuole

c)

Kern

d)

Bladgroenkorrel

8.
welke orgaan wordt aan gegeven met nr. 1
a)
slokdarm
b)
keel
c)
luchtpijp
d)
strot
9.

welke orgaan wordt aan gegeven met nr. 8

a)
slokdarm
b)

Aorta

c)

Holle ader

d)

Dunne darm

e)

Dikke darm

10.
Welk orgaan wordt aangegeven met nr. 5 
a)
lever
b)
dikke darm
c)
maag
d)
alvleesklier
11.
Welk organenstelsel is hier afgebeeld?
a)
bloedvatenstelsel
b)
zenuwstelsel
c)
spierenstelsel
d)
verteringsstelsel 
12.
Welke organen horen bij het verteringsstelsel?
a)
Hart, slokdarm ,maag, dunne darm
b)
slokdarm, maag, dikke arm, longen
c)
dikke darm, dunne darm, maag, lever, slokdarm
13.

Waar pak je een microscoop aan vast?

a)

Aan het statief

b)

Aan de tubus

c)

Aan het oculair

d)

Aan de tafel

14.

Wat is een weefsel?

a)

Een ander woord voor orgaan

b)

Een groep organen bij elkaar

c)

Alle cellen in ons lichaam

d)

Een groep cellen met dezelfde vorm en functie

15.

Zet van klein naar groot

a)

cel, orgaanstelsel, weefsel, organisme, celorganel,

b)

cel, orgaanstelsel, celorganel organisme, weefsel

c)

Organisme, weefsel, orgaanstelsel, cel, celorganel

d)

Celorganel, cel, weefsel, orgaan, orgaanstelsel, organisme

16.

Nummer 5 heet de:

a)

Longen

b)

Lever

c)

Hart

d)

Maag

17.

Kies het beste antwoord. DNA vind je in de:

a)

Celkern

b)

Weefsel

c)

Celwand

d)

Celorganel

18.

Een plantencel heeft ALTIJD bladgroenkorrels

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

In welk celonderdeel liggen plastiden?

a)

Vacuole

b)

Cytoplasma

c)

Celwand

d)

Celmembraan

20.

Plastiden kunnen in elkaar overgaan. Bijvoorbeeld van bladgroenkorrel naar kleurstofkorrel

a)

Waar

b)

Niet waar

21.

Het DNA is in alle cellen van één organisme hetzelfde

a)

Waar

b)

Niet waar

22.

In de afbeelding rechts is
      telkens een klein stukje van het
      menselijk lichaam verder uitvergroot.

            In welke tekening is één orgaan

            weergegeven?

a)

In tekening 1.

b)

In tekening 2.

c)

In tekening 3.

d)

In tekening 4.

e)

In geen van de tekeningen.

23.

Hoe heet onderdeel 2

a)

Nier

b)

Slokdarm

c)

Luchtpijp

d)

Aorta

e)

Dikke darm

24.

Drie organen die gedeeltelijk in de borstholte en gedeeltelijk in de
            buikholte liggen zijn:

a)

de slokdarm, de aorta en de holle ader.

b)

de holle ader, de luchtpijp en de aorta.

c)

de luchtpijp, de dunne darm en de longen.

d)

de aorta, de lever en de slokdarm.

25.

IOp de afbeelding  zie je een röntgenfoto waarop een doorgeslikte knoopbatterij te zien is.

De knoopcelbatterij bevindt zich op de foto in:

a)

De buikholte

b)

Het hart

c)

Een long

d)

De borstholte

26.

In de afbeelding zie je een röntgenfoto waarop een doorgeslikte knoopbatterij te zien is.

Tot welk organenstelsel behoort het orgaan waarin de knoopcelbatterij is blijven steken?

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Ademhalingsstelsel

c)

Verteringsstelsel

d)

Beenderstelsel

27.
wat veroorzaakt de gele kleur van de paprika?
a)
Plastiden
b)
Bladgroenkorrels
c)
Zetmeelkorrels
d)
Kleurstofkorrels
28.

Welke soort weefsel zie je op de afbeelding?

a)

Zenuwweefsel

b)

Beenweefsel

c)

kraakbeenweefsel

d)

spierweefsel

29.

Bij welk organenstelsel hoort het ruggenmerg?

a)

Zenuwstelsel

b)

Bloedvatenstelsel

c)

Spierstelsel

d)

Beenderstelsel

30.

Cellen zijn plat

a)

Waar

b)

Niet waar

31.

Wat is tussencelstof?

a)

Een stof die tussen de cellen van weefsels zit

b)

Een stof die tussen verschillende weefsels zit

c)

Een ander woord voor weefsel

d)

Een orgaan

32.

Welk onderdeel is nummer 7?

a)

Tubus

b)

Revolver

c)

Oculair

d)

Statief

33.

Waarmee klem je een preparaat vast?

a)

Grote schroef

b)

Preparaatklemmen

c)

Tafel

d)

Diafragma

34.

Waarmee regel je de hoeveelheid licht die door de lenzen valt?

a)

Objectieven

b)

Lamp

c)

Diafragma

d)

Tafel

35.

In lichaamscellen komen chromosomen altijd ...

a)

enkel voor

b)

in paren voor

36.

Dit onderdeel van een plantaardige cel zorgt o.a. voor opslag van stoffen

a)

celkern

b)

bladgroenkorrel

c)

vacuole

d)

cytoplasma

37.

Plantaardige cellen hebben een celmembraan en dierlijke cellen niet

a)

juist

b)

onjuist

38.

Lange dunne draden in de celkern noemen we

a)

chromosomen

b)

DNA

c)

Basen

d)

genen

39.

Je oogkleur erf je van je ouders, dit noem je een

a)

erfelijkheid

b)

overerving

c)

erfelijke eigenschap

d)

chromosoom

40.

Chromosomen bestaan uit:

a)

Enkel DNA

b)

DNA met eiwitten

c)

Enkel eiwitten

d)

Cellen

e)

Dna, eiwitten en cellen