Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Vragen H3 - mavo 2

Total questions: 41

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.
Hoe heet onderdeel 1
a)
Linkerboezem
b)
Llinkerkamer
c)
Rechterboezem
d)
Rechterkamer
2.
Hoe heet onderdeel 3
a)
aorta
b)
bovenste holle ader
c)
onderste holle ader
d)
kransslagader
3.
Met welke nummer wordt  linkerkamer aangeven?
a)
7
b)
9
c)
10
d)
12
4.
In de ......... stroomt het bloed dat rijk is  aan koolstofdioxide
a)
aorta
b)
Darmslagader
c)
longader
d)
poortader
5.
Iemand heeft longontsteking hiertegen medicijnen. Via welke weg komen de geslikte medicijnen, na opnamen in het bloed, in de cellen van de longen terecht?
a)
Via de grote en de kleine bloedsomloop
b)
alleen via de kleine bloedsomloop
c)
Alleen via de grote bloedsomloop
d)
Niet via de kleine en via de grote bloedsomloop
6.
In de afbeelding hiernaast tref je een aantal verschillende bloeddeeltjes aan. Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 3
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedpaatjes
d)
Bloedplasma
7.
Het hart heeft veel spierweefsel.
Welk deel van het hart is het meest gespierd?
a)
Linkerboezem
b)
Rechterboezem
c)
Linkerkamer
d)
Rechterkamer
8.

Is een rode bloedcel onderdeel van bloedplasma?

a)

Ja

b)

Nee

9.

Hoe heet onderdeel nummer 3?

a)

Rode bloedcel

b)

Bloedplaatje

c)

Witte bloedcel

d)

bloedplasma

10.

Hoe heet onderdeel nummer 1?

a)

Witte bloedcel

b)

Rode bloedcel

c)

Bloedplasma

d)

Bloedplaatje

11.

Wat is de functie van onderdeel 3?

a)

Bacteriën & ziekteverwekkers doden

b)

Bacteriën & ziekteverwekkers aanmaken

c)

Zuurstof vervoeren

d)

Voedingsstoffen vervoeren

12.

Marie zegt dat rode- en witte bloedcellen een celkern hebben.

Albert zegt dat alleen witte bloedcellen een celkern hebben.

Wie heeft er gelijk?

a)

Marie heeft gelijk.

Albert heeft ongelijk.

b)

Albert heeft gelijk.

Marie heeft ongelijk.

c)

Beide hebben gelijk

d)

Beide hebben ongelijk

13.

Trombose is een .............. binnen een bloedvat. Het bloedvat kan hierdoor afgesloten worden.

Welk woord hoort op de puntjes te staan?

a)

Bloedstolsel

b)

Rode bloedcel

c)

stukje eten

d)

alles is onjuist

14.

In de afbeelding zie je een meisje op de fiets. Zij heeft veel zuurstof nodig voor haar beenspieren.

Hoe zorgt haar lichaam ervoor dat de beenspieren veel zuurstof krijgen?

a)

Het hart gaat sneller pompen en de ademhaling gaat sneller

b)

Bloedplasma gaat ook zuurstof vervoeren

c)

De witte bloedcellen gaat extra zuurstof vervoeren

15.

Stroomt het bloed door het hele lichaam?

a)

Ja

b)

Nee

16.

Koolstofdioxide wordt afgegeven aan de longen.

Gebeurt dit in de grote bloedsomloop?

a)

Ja

b)

Nee

17.

Stroomt het bloed in de kleine bloedsomloop via de longen?

a)

Ja

b)

Nee

18.

Krijgt het bloed in de grote bloedsomloop koolstofdioxide van de cellen?

a)

Ja

b)

Nee

19.

Is de kleine bloedsomloop een deel van de dubbele bloedsomloop?

a)

Ja

b)

Nee

20.

Waaruit bestaat bloedplasma voor het grootste deel?

a)

Hormonen

b)

Antistoffen

c)

Eiwitten

d)

Water

21.

Welke soort bloedcel zie je hier en wat is zijn functie

a)

Witte bloedcel, speelt een rol bij zuurstoftransport

b)

Rode bloedcel, speelt een rol bij de afweer

c)

Witte bloedcel, speelt een rol bij de afweer

d)

Rode bloedcel, speelt een rol bij zuurstoftransport

22.

Wat is de functies van de bloedplaatjes?

a)

Zuurstoftransport

b)

afweer

c)

bloedstolling

d)

kleur aan bloed geven

23.

Hoe heten de twee ruimtes in de onderste helft van het hart?

(a)  

24.

Welke stof zorgt voor de rode kleur van het bloed?

(a)  

25.
Hoe heet nummer 1?
a)
nierbekken
b)
nierschors
c)
niermerg
d)
uirineleider
26.

Wat is de functie van de nierbekken?

a)

filteren van het bloed

b)

filteren van urine

c)

verzamelen van urine

27.

Wat wordt aangegeven met nummer 1?

(a)  

28.

Wat wordt aangegeven met nummer 2?

(a)  

29.

Wat wordt aangegeven met nummer 5?

a)

Nierbekken

b)

Nierpoort

c)

Nierkapsel

d)

Nierschors

30.

wat in je lichaam beschermt tegen ziekteverwekkers?

a)

afweersysteem

b)

bloedsomloop

c)

uitscheidingsstelsel

d)

medicijnen

31.

wat zijn kenmerken van een infectieziekte?

meerder antwoorden mogelijk.

a)

besmettelijk

b)

veroorzaakt door een virus of bacterie

c)

veroorzaakt door een supervirus

d)

ongeneeslijk

32.

antibiotica is een medicijn tegen

a)

alle infectieziekten

b)

bacteriën en virussen

c)

bacteriën

d)

virussen

33.

Een antigeen is

a)

Lichaamsvreemd

b)

Lichaamseigen

c)

Een ander woord voor een witte bloedcel

34.
Wat is een ander woord voor inenting?
a)
Vaccin/vaccinatie
b)
Serum
35.

Natuurlijk immuniteit is...

a)

wanneer je natuurlijke antistoffen ingespoten krijgt

b)

wanneer je kunstmatige antistoffen ingespoten krijgt

c)

wanneer je zelf natuurlijke antistoffen maakt

d)

wanneer je zelf kunstmatige antistoffen maakt

36.

Kunstmatige immuniteit is...

a)

...als je een vaccin toegediend krijgt

b)

...als je witte bloedcellen ingespoten krijgt

c)

...als jouw lichaam zelf antistoffen aanmaakt na een vaccinatie

d)

... als jouw lichaam zelf antigenen aanmaakt na een vaccinatie

37.

Wat is de naam van onderdeel 8?

a)

urinebuis

b)

nier

c)

blaas

d)

urineleider

38.

............................. zijn herkenningspunten aan de buitenkant van een cel. Hieraan kun je een cel herkennen.

a)

Antistoffen

b)

Bacteriën

c)

Antigenen

d)

Vaccinatie

39.

Elke ziekteverwekker heeft zijn eigen specifieke antigenen waar een antistof tegen wordt gemaakt.

Een antistof past dus maar op een soort antigeen.

a)

Waar

b)

Niet waar

40.

Wat wordt er bij een vaccinatie in je lichaam gespoten?

a)

Een sterke versie van de ziekteverwekker

b)

Een antistof tegen de ziekteverwekker

c)

Antigenen tegen de ziekteverwekker

d)

Een verzwakte versie van de ziekteverwekker

41.

Na een inenting(vaccin) gaat je lichaam....

a)

Antigenen maken

b)

Antistoffen maken

c)

Vreetcellen maken