wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Keynaan NEDERLANDS WOORDSO

Total questions: 53

Worksheet time: 27mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

a)

Dat zegt iets over een ander woord.

b)

Dat zegt iets over een werkwoord.

c)

Dat zegt iets over de staat van de zin.

d)

Dat zegt iets over een zelfstandig naamwoord.

2.

Waar is een bijvoeglijk naamwoord vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

3.

In welke zin is het zelfstandig naamwoord vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

4.

In welke zin is het zelfstandig werkwoord vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

5.

Waar is een voorzetsel vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

6.

Waar is het hulpwerkwoord vetgedrukt?

a)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

b)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

c)

nergens

d)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

7.

Waar is het bepaalde lidwoord vetgedrukt?

a)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

b)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

c)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

d)

nergens

8.

In welke zin is een koppelwerkwoord vetgedrukt?

a)

Hij heeft zich in lange tijd niet zo enorm geschaamd.

b)

Hij heeft zich in lange tijd niet zo geschaamd.

c)

Omdat ze zo blij was, danste ze van plezier.

d)

Omdat ze zo blij was, danste ze van plezier.

9.

Waar is een zelfstandig naamwoord eigennaam, vetgedrukt?

a)

In het café 'De halve maan', wordt wekelijks opgetreden.

b)

In het café 'De halve maan', wordt wekelijks opgetreden.

c)

In het café 'De halve maan', wordt wekelijks opgetreden.

d)

nergens

10.

Waar is een bijwoord vetgedrukt?

a)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

b)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

c)

nergens

d)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

11.

Heb jij het nieuwe spel van Pokémon ook al gespeeld?

Welke woordsoort is 'heb'?

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

12.

Heb jij het nieuwe spel van Pokémon ook al gespeeld?

Welke woordsoort is 'het'?

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

13.

Heb jij het nieuwe spel van Pokémon ook al gespeeld?

Welke woordsoort is 'nieuwe'?

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

14.

Heb jij het nieuwe spel van Pokémon ook al gespeeld?

Welke woordsoort is 'spel'?

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

15.

Heb jij het nieuwe spel van Pokémon ook al gespeeld?

Welke woordsoort is 'gespeeld'?

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

16.

De politie denkt dat mijn oudste broer lid is van een criminele bende.

Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden bevat deze zin?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

17.

De politie denkt dat mijn oudste broer lid is van een criminele bende.

Hoeveel zelfstandige naamwoorden bevat deze zin?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

18.

De gelopen afstand was in totaal 14 kilometer.

Wat is in deze zin het bijvoeglijk naamwoord?

(a)  

19.
 Wat is het gekleurde woordsoort? In de metro kwam ik een oude vriend tegen.
a)
znw
b)
bijv.nw
c)
lw
d)
aanw.vnw
20.
Wat is het gekleurde woordsoort? Uit het huis sloegen de vlammen omhoog.
a)
znw
b)
lw
c)
bnw
d)
aanw.vnw
21.

  Is deze fiets door jou beschilderd?

Wat is het gekleurde woordsoort?

a)
bez.vnw
b)
aanw.vnw
c)
pers.vnw
d)
bijv.nw
22.
Bij Gouda is bijna een trein ontspoord door natte bladeren. Wat is het gekleurde woordsoort?
a)
per.vnw
b)
aanw.vnw
c)
bijv.nw
d)
znw
23.
Bij Gouda is bijna een trein ontspoord door natte bladeren. Wat is het gekleurde woordsoort?
a)
voorzetsel
b)
lidwoord
c)
bijv.nw
d)
bez.vnw
24.

Onze leraar verbetert ons werk altijd met een groene pen.

Wat is het gekleurde woordsoort?

a)
pers.vnw
b)
znw
c)
bez.vnw
d)
voorzetsel
25.

Onze leraar verbetert ons werk altijd met een groene pen.

Wat is het gekleurde woordsoort?

a)
bez.vnw
b)
pers.vnw
c)
bijv.nw
d)
znw
26.

Ze had de telefoon nog in haar hand.

Wat is het gekleurde woordsoort?

a)
znw
b)
lidwoord
c)
voorzetsel
d)
vragend vnw
27.
Ze had de telefoon nog in haar hand. Wat is het gekleurde woordsoort?
a)
znw
b)
lidwoord
c)
aanw.vnw
d)
voorzetsel
28.

Welke van de volgende onderstreepte woorden is geen bijvoeglijk naamwoord?

a)

de krakende vloer

b)

De Volvo is groot.

c)

de onweerstaanbare brownie

d)

Die film is ontzettend mooi.

29.

Benoem vanaf hier de woordsoorten van de onderstreepte woorden.

Alles had een kleur gekregen, behalve de sneeuw.

a)

lidwoord

b)

bijwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

30.

De verdachte is acht uur lang ondervraagd.

Onderstreept woord is een:

a)

Zelfstandig werkwoord

b)

Koppelwerkwoord

c)

Hulpwerkwoord

31.

Zij is voorzitter geweest.

Onderstreept woord is een:

a)

Zelfstandig werkwoord

b)

Koppelwerkwoord

c)

Hulpwerkwoord

32.

Een bijvoeglijk naamwoord geeft plaats, tijd of oorzaak aan.

a)

Waar

b)

Niet waar

33.

Ze vroeg aan de aarde om kleur maar de aarde SLIEP en gaf geen antwoord.

a)

zelfstandig werkwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

bijwoord

34.

De arme sneeuw besloot om één van de ANDEREN een beetje kleur te vragen.

a)

zelfstandig werkwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

bijwoord

35.

Benoem het woord in hoofdletters. 'De aarde was bruin, het gras was GROEN en de zon was van goud.

a)

voorzetsel

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

hulpwerkwoord

36.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: zondag

a)

Aanwijzend voornaamwoord

b)

Bijwoord

c)

Zelfstandig naamwoord

d)

Hulpwerkwoord

37.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: het

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Bepaald lidwoord

c)

Onbepaald lidwoord

d)

Hulpwerkwoord

38.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: Duitse

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Bijvoeglijk naamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Bijwoord

39.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: snelle

a)

Bepaald lidwoord

b)

Onbepaald lidwoord

c)

Zelfstandig naamwoord

d)

Bijvoeglijk naamwoord

40.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: is

a)

Bepaald lidwoord

b)

Onbepaald lidwoord

c)

Hulpwerkwoord

d)

Zelfstandig werkwoord

41.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: afgeleid

a)

Hulpwerkwoord

b)

Zelfstandig werkwoord

c)

Koppelwerkwoord

d)

Bijwoord

42.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: herkennen

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Hulpwerkwoord

c)

Zelfstandig werkwoord

d)

Koppelwerkwoord

43.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: was

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Hulpwerkwoord

c)

Zelfstandig naamwoord

d)

Koppelwerkwoord

44.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: zaten

a)

Aanwijzend voornaamwoord

b)

Zelfstandig werkwoord

c)

Koppelwerkwoord

d)

Hulpwerkwoord

45.

Benoem het onderstreepte woord:

Wij gaan vandaag een toets maken.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

koppelwerkwoord

46.

Benoem het onderstreepte woord:

Wij gaan vandaag een toets maken.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

koppelwerkwoord

47.

Een werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden van de zin.

a)

Dit is juist.

b)

Dit is onjuist.

48.

Benoem het onderstreepte woord:

Ling wordt een beroemd chirurg.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

koppelwerkwoord

49.

Benoem het onderstreepte woord:

Blijft Antonio vandaag ziek?

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

koppelwerkwoord

50.

Benoem het onderstreepte woord:

Blijft Antonio vandaag op school?

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

koppelwerkwoord

51.

Benoem het onderstreepte zinsdeel:

Gisteren heeft mijn buurvrouw een baby gekregen.

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

d)

bijwoordelijke bepaling

52.

Benoem het onderstreepte zinsdeel:

Pascal geeft zijn hond elke dag een bot.

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

d)

bijwoordelijke bepaling

53.

Zijn dit alle koppelwerkwoorden?

zijn, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen

a)

nee, ik mis 'branden'

b)

nee, ik mis 'lopen'

c)

nee, ik mis 'worden'

d)

Ja, dit rijtje is compleet