wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Verbanden en signaalwoorden lj3

Total questions: 65

Worksheet time: 33mins

Name
Class
Date
1.

a)

een tegenstelling

b)

een oorzaak / gevolg

c)

een opsomming

d)

een voorbeeld

2.

a)

opsomming

b)

een tegenstelling

c)

een voorbeeld

d)

een oorzaak-gevolg

3.

a)

een oorzaak / gevolg

b)

een opsomming

c)

een voorbeeld

d)

een oorzaak-gevolg

4.

a)

een tegenstelling

b)

een voorbeeld

c)

een oorzaak-gevolg

d)

een opsomming

5.

a)

een oorzaak / gevolg

b)

een tegenstelling

c)

een voorbeeld

d)

een opsomming

6.

a)

een opsomming

b)

een oorzaak / gevolg

c)

een voorbeeld

d)

een tegenstelling

7.

a)

een conclusie

b)

een opsomming

c)

een oorzaak-gevolg

d)

een tegenstelling

8.

a)

een oorzaak / gevolg

b)

een tegenstelling

c)

een voorbeeld

d)

een opsomming

9.

a)

een voorbeeld

b)

een tegenstelling

c)

een opsomming

d)

Oorzaak en gevolg

10.

a)

voordat

b)

desondanks

c)

bovendien

d)

daarentegen

11.

a)

slechts één

b)

twee stuks

c)

drie stuks

d)

vier stuks

12.

a)

een tegenstelling

b)

een oorzaak-gevolg

c)

een opsomming

d)

een voorbeeld

13.

a)

daardoor / indien / kortom / zodoende

b)

indien / kortom / wegens / want

c)

daardoor / zodat / wegens / zodoende

d)

zodat / kortom / want / zodoende

14.

a)

zin 1

b)

zin 2

c)

zin 3

d)

zin 4

15.

a)

een opsomming

b)

een tegenstelling

c)

een voorbeeld

d)

een oorzaak-gevolg

16.

a)

zin 1

b)

zin 2

c)

zin 3

d)

zin 4

17.

a)

een oorzaak / gevolg

b)

een tegenstelling

c)

een opsomming

d)

een voorbeeld

18.

a)

een voorbeeld

b)

een oorzaak / gevolg

c)

een tegenstelling

d)

een vergelijking

19.
verband: opsommend
a)
ook
b)
maar
c)
eerst
d)
doordat
20.
verband: tegenstelling
a)
maar
b)
tevens
c)
dan
d)
als
21.
verband: oorzaak-gevolg
a)
daardoor
b)
omdat
c)
ten tweede
d)
dat betekent
22.
verband: voorbeeld
a)
onder andere
b)
net zo als
c)
omdat
d)
bovendien
23.
verband:doel - middel
a)
waarmee
b)
tenzij
c)
daarna
d)
ten tweede
24.
verband: reden
a)
omdat
b)
ook
c)
vroeger
d)
wanneer
25.

Bij welk verband hoort het volgende signaalwoord:


ten slotte

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

26.

Bij welk verband hoort het volgende signaalwoord:


toch

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

27.

Bij welk verband hoort het volgende signaalwoord:


ten eerste

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

28.

Bij welk verband hoort het volgende signaalwoord:


ook

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

29.

Bij welk verband hoort het volgende signaalwoord:


maar

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

30.

Bij welk verband hoort het volgende signaalwoord:


en

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

31.

Bij welk verband hoort het volgende signaalwoord:


verder

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

32.

Bij welk verband hoort het volgende signaalwoord:


echter

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

33.

Bij welk verband hoort het volgende signaalwoord:


tegenover

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

34.

Bij welk verband hoort het volgende signaalwoord:


tegenover

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

35.

Welk woord is in de volgende zin het signaalwoord?


Wat zij doen is volgens haar geen demonstreren, maar kansloos slopen van eigendommen van de politie of ondernemers.

(a)  

36.

Welk verband herken je in de volgende zin?


Wat zij doen is volgens haar geen demonstreren, maar kansloos slopen van eigendommen van de politie of ondernemers.

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

37.

Welk verband herken je in de volgende zin?


Volgens een aanwezige fotojournalist hebben ook winkelruiten en etalages het moeten ontgelden.

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

38.

Wat is het signaalwoord in de volgende zinnen?


Jamal Ben Saddik heeft na het epische gevecht van met Rico Verhoeven zijn excuses aangeboden aan Rico. Maar niet voor de enorme klap die hij Verhoeven gaf.

(a)  

39.

Welk verband zie je in de volgende zin?


Jamal Ben Saddik heeft na het epische gevecht van met Rico Verhoeven zijn excuses aangeboden aan Rico. Maar niet voor de enorme klap die hij Verhoeven gaf.

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

40.

Welk signaalwoord herken je in de volgende zin?


Max Verstappen mag na zijn negende seizoenszege dan 19 punten voorstaan op rivaal Lewis Hamilton, echter aan de wereldtitel wil hij nog voorlopig niet denken.

(a)  

41.

Welk verband herken je in de volgende zin?


Max Verstappen mag na zijn negende seizoenszege dan 19 punten voorstaan op rivaal Lewis Hamilton, aan de wereldtitel wil hij nog voorlopig niet denken.

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

42.

Welk signaalwoord zie je in de volgende zin?


Mercedes was ook dit weekeinde weer bijzonder sterk en met name in de kwalificatie.

(a)  

43.

Welk verband herken je in de volgende zin?


Mercedes was ook dit weekeinde weer bijzonder sterk en met name in de kwalificatie.

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

44.

Welk verband herken je hier?

Gisteren wilde ik naar Basic Fit, maar ik kon uiteindelijk niet.

a)

opsomming

b)

tegenstelling

c)

oorzaak-gevolg

d)

voorwaarde

45.

Welk verband herken je hier?

Zij kwam kleddernat binnen, doordat het zo hard regende.

a)

tegenstelling

b)

tijdsvolgorde

c)

oorzaak-gevolg

d)

opsomming

46.

Welke verband herken je hier?

Ik houd van voetbal, van tennis en ook van basketbal.

a)

opsomming

b)

tegenstelling

c)

tijdsvolgorde

d)

oorzaak-gevolg

47.

Welk verband herken je hier?

Allereerst ging hij douchen, daarna droogde hij zich af en vervolgens kleedde hij zich aan.

a)

opsomming

b)

oorzaak-gevolg

c)

tegenstelling

d)

tijdsvolgorde

48.

Welk verband herken je hier?

Anne houdt van tekenen, zoals manga, stripverhalen en andere comics.

a)

oorzaak-gevolg

b)

voorbeeld

c)

opsomming

d)

tegenstelling

49.

Welk verband herken je hier?

Anne wil alleen maar tekenen als ze goede fineliners heeft.

a)

tegenstelling

b)

opsomming

c)

oorzaak-gevolg

d)

voorbeeld

50.

Wat is het signaalwoord bij het verband 'voorbeeld'?

a)

maar

b)

ook

c)

toch

d)

bijvoorbeeld

51.

Wat is het signaalwoord bij het verband 'oorzaak-gevolg'?

a)

ook

b)

de oorzaak hiervan...

c)

en

d)

vervolgens

52.

Wat is het signaalwoord bij het verband 'tegenstelling'?

a)

ook

b)

zoals

c)

toch

d)

allereerst

53.

Welk signaalwoord staat in deze zin?

Eerst wilde hij naar de film met zijn broer, ...

a)

eerst

b)

hij

c)

met

d)

zijn

54.

Welk signaalwoord staat in deze zin?

Hij kreeg kramp in zijn onderkaak, vervolgens spuugde hij zijn kauwgom maar uit.

a)

kreeg

b)

vervolgens

c)

zijn

d)

maar

55.

Welk signaalwoord staat in deze zin?

Gerard zat op ballet, tafeltennis, hockey en atletiek.

a)

Gerard

b)

zat

c)

op

d)

en

56.

1. Mijn band is lek

2. Ik moet lopen

a)

1 is de oorzaak en 2 is het gevolg

b)

2 is de oorzaak en 1 is het gevolg

57.

1. Ik heb goed geleerd voor het proefwerk

2. Ik haal een mooi cijfer

a)

1 is de oorzaak en 2 is het gevolg

b)

2 is de oorzaak en 1 is het gevolg

58.

1. Ik vraag verkering

2. Ik ben verliefd

a)

1 is de oorzaak en 2 is het gevolg

b)

2 is de oorzaak en 1 is het gevolg

59.

1. Ik vier een feest

2. Ik ben jarig

a)

1 is de oorzaak en 2 is het gevolg

b)

2 is de oorzaak en 1 is het gevolg

60.

1. Ik trek een warme jas aan

2. Buiten vriest het

a)

1 is de oorzaak en 2 is het gevolg

b)

2 is de oorzaak en 1 is het gevolg

61.

1. Ik fiets zonder achterlicht

2. De politie houdt mij aan

a)

1 is de oorzaak en 2 is het gevolg

b)

2 is de oorzaak en 1 is het gevolg

62.

1. Nomaden trekken verder

2. Het voedsel is op

a)

1 is de oorzaak en 2 is het gevolg

b)

2 is de oorzaak en 1 is het gevolg

63.

1. Jagers eten het meeste vlees rauw op

2. Vlees bederft snel

a)

1 is de oorzaak en 2 is het gevolg

b)

2 is de oorzaak en 1 is het gevolg

64.

1. Nomaden trekken rond

2. Nomaden hebben weinig bezit

a)

1 is de oorzaak en 2 is het gevolg

b)

2 is de oorzaak en 1 is het gevolg

65.

a)

1 is de oorzaak en 2 is het gevolg

b)

2 is de oorzaak en 1 is het gevolg