wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1BK T5 Stevigheid en beweging B1-8

Total questions: 34

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Een skelet is een ander woord voor beenderen.

a)

Ja

b)

Nee, voor geraamte

c)

Nee, voor lichaam

d)

Nee, voor botten

2.

Ledematen bestaan uit 2 armen en 2 ...

(a)  

3.

Bevatten de botten van jonge mensen meer kalk dan botten van oude mensen?

a)

Ja

b)

Nee

4.

Zit de ellepijp aan de kant van de pink?

a)

Ja

b)

Nee

5.

Buigt een bot gemakkelijk, als je de kalk met zoutzuur uit het bot haalt?

a)

Ja

b)

Nee

6.

Waar in het lichaam zit veel kraakbeen?

a)

Tussen de ribben en het borstbeen

b)

In de gewrichten

c)

In de oorschelp

d)

In je schedel

e)

Tussen je wervels

7.

Welke van de volgende botten horen NIET bij je arm?

a)

Dijbeen

b)

Ellepijp

c)

Spaakbeen

d)

Sleutelbeen

8.

Welke uitspraak is waar?

a)

In kraakbeen zit evenveel lijmstof als kalk.

b)

In kraakbeen zit meer lijmstof dan kalk.

c)

In kraakbeen zit minder lijmstof dan kalk.

9.

Wat is de oorzaak van het feit dat baby’s hun eigen tenen in hun mond kunnen

steken?

a)

Het skelet van een baby bestaat vooral uit kraakbeen.

b)

In de botten van een baby zit veel kraakbeen.

c)

In de botten van een baby zit veel kalk en weinig lijmstof.

10.

Wat gebeurt er als de buigspier van het rechterbeen korter en dikker wordt?

a)

Dan buigt het rechterbeen zich.

b)

Dan strekt het rechterbeen zich.

c)

Dan buigt het linkerbeen zich.

d)

Dan strekt het linkerbeen zich.

11.

Welk bot zit in je been?

a)

Kuitbeen

b)

Sleutelbeen

c)

Spaakbeen

d)

Heiligbeen

12.

In een gewricht zitten:

a)

Een gewrichtskogel en gewrichtskom

b)

Een gewrichtsbal en een gewrichtskom.

c)

Een gewrichtskogel en een gewrichtshol.

d)

Een gewrichtsbal en een gewrichtshol.

13.

Een gewricht bevat laagjes kraakbeen. Wat is een functie van deze laagjes kraakbeen?

a)

Ze zorgen ervoor dat de botten niet slijten.

b)

Ze houden botten van een gewricht op hun plaats.

c)

Ze maken de botten van een gewricht buigzamer.

14.

Welk onderdeel verbindt de spieren aan de botten?

a)

Pezen

b)

Kraakbeen

c)

Aanhechtingsplaats

d)

Gewricht

15.

Mensen hebben een ... skelet.

a)

inwendig

b)

uitwendig

c)

binnen

d)

buiten

16.

De wervelkolom heeft een dubbele-...-vorm.

(a)  

17.

Welk nummer geeft de lendenwervels aan?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

18.

Kan door een vlam lijmstof uit botten worden gehaald?

a)

Ja, het bot is dan minder buigzaam.

b)

Ja, het bot wordt dan buigzamer.

c)

Nee, het bot is dan minder buigzaam.

d)

Nee, het bot wordt dan buigzamer.

19.

Beschermt de borstkas je longen?

a)

Ja, en ook het hart.

b)

Ja, alleen de longen.

c)

Nee, en ook niet het hart.

d)

Nee, maar wel het hart.

20.

De gewrichtskom is het ... uiteinde van het bot.

a)

holle

b)

bolle

21.

Raken getrainde spieren sneller geblesseerd?

a)

Ja

b)

Nee

22.

Een blessure is een beschadiging aan je...

a)

Botten

b)

Gewrichten

c)

Spieren

d)

Huid

e)

Bloedvaten

23.

Bij welke blessure passen blauwe plekken?

a)

Kneuzing

b)

Spierscheuring

c)

Verzwikking

24.

Hoe noem je het als bij een verzwikking de plaats van de blessure dikker wordt?

a)

Pus

b)

Zwelling

c)

Oedeem

d)

Ontsteking

25.

Een ontsteking van het gewrichtskapsel wordt verzwikking genoemd.

a)

Juist

b)

Onjuist

26.

Hoe noem je de ruimte tussen de naden van de schedel bij baby’s?

(a)  

27.

Op welke manieren zitten botten aan elkaar vast?

a)

Gewrichten

b)

Naden

c)

Kraakbeen

d)

Vergroeid

e)

Lijmstof

28.

Bij welke van deze 4 beenverbindingen is (een beetje) beweging mogelijk? Kruis ze aan.

a)

gewrichten

b)

kraakbeen

c)

naden

d)

vergoeid

29.

Welke vorm van beenverbinding vinden we in de schedel?

a)

Naden

b)

Kraakbeen

c)

Gewricht

d)

Vergroeid

30.

Het kniegewricht is een [A] en het heupgewricht een [B].

a)

A = kogelgewricht

B = kogelgewricht

b)

A = scharniergewricht

B= scharniergewricht

c)

A = kogelgewricht

B= scharniergewricht

d)

A = scharniergewricht

B= kogelgewricht

31.

Nummer 14 is...

a)

Ellepijp

b)

Spaakbeen

c)

Dijbeen

d)

Sleutelbeel

32.

Het dijbeen wordt aangegeven met nummer...

a)

16

b)

18

c)

19

d)

10

33.

Wat gebeurt er als de rugspieren zich aanspannen?

a)

Dan gaat het bovenlichaam omhoog (dan strekt je lichaam)

b)

Dan gaat het bovenlichaam naar beneden (dan buigt je lichaam)

34.

Maken je bovenarmen en je onderarmen een rechte hoek als je een goede zithouding hebt?

a)

Ja

b)

Nee