wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hoofdstuk 7

Total questions: 50

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Een niet-levende invloed uit de omgeving noem je een ... factor

(a)  

2.

Een levende invloed uit de omgeving noem je een ... factor

(a)  

3.
Temperatuur
a)
Biotisch
b)
Abiotisch
4.

Een groep organismen van dezelfde soort in één bepaald gebied, die zich onderling voortplanten heet een ......

a)

ecosysteem

b)

levensgemeenschap

c)

individu

d)

populatie

5.
Zuurgraad bodem
a)
Biotisch
b)
Abiotisch
6.
Soortgenoten
a)
Biotisch
b)
Abiotisch
7.

Aan vier leerlingen wordt gevraagd een voorbeeld te noemen van een ecosysteem. Zij geven de volgende voorbeelden. Leerling 1: alle abiotische factoren in een bepaald heidegebied. Leerling 2: alle dieren die in Nederland leven, in samenhang met de plantengroei. Leerling 3: alle eekhoorns in een loofbos, in samenhang met de bomen. Leerling 4: alle organismen die in een bepaald meertje leven, in samenhang met de abiotische factoren.

Wie heeft gelijk?

a)
Leerling 1
b)
Leerling 2
c)
Leerling 3
d)
Leerling 4
8.

Omdat gifstoffen niet worden afgebroken, maar er in ieder hoger trofisch niveau van de voedselpyramide steeds minder biomassa is, hopen ze zich op. Dat heet...

(a)  

9.

De pijl in een voedselweb of voedselketen gaat van...

a)

wat gegeten wordt naar het organisme dat eet

b)

het organisme dat eet naar wat gegeten wordt

10.

Wat is géén vorm van symbiose (samenleving)?

a)

Parasitisme

b)

Predatie

c)

Mutualisme

d)

Commensalisme

11.

Een organisme met een brede optimumkormme...

a)

...stelt weinig eisen en komt voor in een pioniersvegetatie

b)

...stelt weinig eisen en komt voor in een climaxvegetatie

c)

...stelt veel eisen en komt voor in een pioniersvegetatie

d)

...stelt veel eisen en komt voor in een climaxvegetatie

12.

Wat is géén reden waardoor biomassa in een pyramide van biomassa verdwijnt?

a)

Verbranding (dissimilatie)

b)

Het niet verteren van voedsel

c)

Assimilatie

d)

Sterfte

13.

een langdurige samenlevingsrelatie tussen individuen van verschillende soorten noem je...

(a)  

14.

Paarden en ezels kunnen samen nakomelingen krijgen die we muilezels noemen, muilezels zijn onvruchtbaar


Behoren een ezel en een paard tot één soort?

a)

Nee, ze de nakomelingen zijn onvruchtbaar

b)

Ja, want ze komen uit hetzelfde geslacht

c)

Ja, want ze kunnen nakomelingen krijgen

15.

Een pekinees en een Deense dog zijn twee hondenrassen.


Mirjam zegt: Ze kunnen samen vruchtbare nakomelingen krijgen

Wim zegt: Ze behoren tot verschillende soorten


Wie heeft gelijk?

a)

Alleen Mirjam

b)

Alleen Wim

c)

Beiden hebben gelijk

d)

Beiden hebben géén gelijk

16.

Welk celkenmerk heeft het rijk van de bacteriën wel?

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Vacuole

d)

Bladgroenkorrels

17.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel kan een bacterie zijn?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

geen van deze

18.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel is cel nummer 4?

a)

bacterie

b)

schimmel

c)

plant

d)

dier

19.

Een ijsgrizzly is een kruising tussen een grizzlybeer en een ijsbeer. Een ijsgrizzly is vruchtbaar.


Zijn een grizzlybeer en een ijsbeer dezelfde soort?

a)

Ja, want ze kunnen nakomelingen krijgen.

b)

Nee, want ze kunnen geen vruchtbare nakomelingen krijgen.

c)

Nee, want ze kunnen geen nakomelingen krijgen.

d)

Ja, want ze kunnen vruchtbare nakomelingen krijgen.

20.

De onderstaande factoren bepalen hoeveel muizen in een gebied kunnen voorkomen. Welke van deze factoren zijn abiotische factoren?

a)

Hoeveelheid regen er jaarlijks in een gebied valt

b)

De boomsoorten die in het gebied voorkomen

c)

Hoeveel roofvogels er in het gebied voorkomen

d)

Hoeveel parasieten er in het gebied voorkomen

21.
De larve van de nachtvlinder heeft een groot aantal bacteriën in zijn verteringskanaal. Deze bacteriën spelen een belangrijke rol bij de vertering van het voedsel van de larven.
Met welke biologische term wordt de relatie tussen de larve en de bacteriën aangeduid?
a)
Mutualisme 
b)
Commensalisme
c)
Parasitisme
d)
Predatie
22.

In deze grafiek is een predator-prooirelatie weergegeven. Ook aan de hand van de y-assen kun je bepalen welke soort de prooi is. Welke van onderstaande beweringen hierover is juist?

a)

Het aantal prooidieren per hectare is vrijwel altijd groter dan het aantal predatoren per hectare, dus de linker y-as moet bij de prooidieren horen

b)

Het aantal predatoren per hectare is vrijwel altijd groter dan het aantal prooidieren per hectare, dus de rechter y-as moet bij de prooidieren horen

23.

Planten en algen vervullen in een ecosysteem de rol van?

a)

producenten

b)

reducenten

c)

consumenten van de eerste orde

d)

consumenten van de tweede orde

24.

Welke van de onderstaande geeft de juiste weergave van de voedselketen weer?

a)

gras --> koe --> mens

b)

mens --> koe --> gras

c)

mens --> koe --> gras

25.
Uit hoeveel schakels bestaat de kortste voedselketen in de afbeelding?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
26.

De wetenschappelijke naam van de buizerd is Buteo lagopus.

Drie andere vogels zijn: Buteo rufinus, Lagopus mutus en Lagopus lagopus.

Welke van deze drie vogels is het nauwst verwant met Buteo lagopus?

a)

Lagopus lagopus

b)

Buteo rufinus

c)

Lagopus mutus

27.
In Noord-Scandinavië leven rendieren voornamelijk van korstmossen.
Welke ecologische rol vervullen de korstmossen en welke de rendieren in NoordScandinavië?
Ecologische rol korstmos: ........1........
Ecologische rol rendier: .......2......
a)
1: producent
2: producent
b)
1: producent
2: consument
c)
1: consument
2: producent
d)
1: consument
2: consument
28.

Wat is de definitie van een populatie

a)

een groep individuen van verschillende soorten in een bepaald gebied

b)

een groep organismen in een bepaald gebied

c)

een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied , die zich onderling voortplanten

d)

een groep individuen die veel op elkaar lijken

29.

Wat is een voorbeeld van een tolerantiegebied?

a)

De temperatuur in een gebied die varieert tussen 0o C en 30o C.

b)

De zuurgraad (pH) van het water moet voor een bepaalde vis tussen de 5 en 7 zijn om daar te kunnen leven.

c)

De verspreiding van herten op de Veluwe is willekeurig in groepen.

d)

In de Waddenzee leven er gemiddeld 0.6 krabben per m3.

30.

de ... geeft aan hoeveel verschillende soorten er in totaal voorkomen in een gebied

(a)  

31.

De maximale populatiegrootte die over langere tijd in een ecosysteem kan worden gehandhaafd wordt ook wel genoemd:

(a)  

32.

Als een populatie in eerste instantie groeit, maar deze groeit vlakt na een tijdje af dan spreek je van een...

a)

s-curve

b)

j-curve

33.

een dier wat via een schip in een ander land binnen komt noem je een :

a)

exoot

b)

inheemse soort

c)

uitheemse soort

34.

Welke oorzaken zorgen voor energie verlies?

a)

afgestorven weefsels

b)

assimilatie

c)

dissimilatie

d)

onverteerd voedsel

35.

Een bepaalde ecologische groep organismen is verantwoordelijk voor het verwerken van de kleinste dode resten en uitwerpselen van organismen tot mineralen. Je noemt deze groep de ...

(a)  

36.
Wat voor een voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming
37.
Wat voor een soort voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming.
38.
Welke schakel heeft altijd de grootste biomassa?
a)
consumenten eerste orde
b)
consumenten 2e orde
c)
producenten
39.

Wat is biomassa?

a)

Massa van de levende organisme van de wereld

b)

Massa van de levende organisme in een gebied

c)

Massa van biologische brandstoffen

d)

Massa van de biologische producten

40.

Welk begrip wordt hier bedoeld? ‘Een grote akker waarop slecht één gewas wordt verbouwd.’

a)

Intensieve landbouw

b)

Monocultuur

c)

Akkerbouw

d)

Biologische landbouw

41.

Een ossenpikker pikt parasieten van de huid van een buffel. Welk type symbiose is dit?

a)

Mutualisme

b)

Parasitisme

c)

Commensalisme

d)

Geen symbiose

42.

Een lintworm leeft in de darmen van een mens en eet mee van het voedsel dat langskomt. Welk type symbiose is dit?

a)

Mutualisme

b)

Parasitisme

c)

Commensalisme

d)

Geen symbiose

43.

Een zuigvis lift mee met een zwemmende mantarog. Welk type symbiose is dit?

a)

Mutualisme

b)

Parasitisme

c)

Commensalisme

d)

Geen symbiose

44.

Leefomgeving van een organisme is

a)

ecosysteem

b)

biotoop

c)

habitat

d)

niche

45.

De bovenstaande afbeelding is een duidelijk voorbeeld van een ...

a)

voedselweb

b)

voedselketen

c)

voedselkringloop

46.

Wat is een synoniem voor een alleseter?

a)

Omnivoor

b)

Herbivoor

c)

Carnivoor

47.

Wat is de goede volgorde van klein naar groot?

a)

Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem

b)

Populatie - levensgemeenschap - individu - ecosysteem

c)

Individu - ecosysteem - levensgemeenschap - populatie

d)

Populatie - levensgemeenschap - ecosysteem - indivdu

48.

welk organisme is autotroof?

a)

planteneter

b)

vleeseter

c)

bacterie

d)

alg

49.

Wat is dissimilatie?

a)

Het afbreken van organische stoffen naar anorganische stoffen

b)

Het afbreken van anorganische stoffen naar organische stoffen

c)

Het opbouwen van anorganische stoffen naar organische stoffen

d)

Het opbouwen van organische stoffen naar anorganische stoffen

50.

A8

Welke van onderstaande omschrijvingen geeft op juiste wijze weer wat fotosynthese is?

a)

Proces waarbij glucose en zuurstof wordt omgezet in water en koolstofdioxide. Dit kost energie.

b)

Proces waarbij water en koolstofdioxide wordt omgezet in glucose en zuurstof. Dit kost energie.

c)

Proces waarbij glucose en zuurstof wordt omgezet in water en koolstofdioxide. Dit levert energie op.

d)

Proces waarbij water en koolstofdioxide wordt omgezet in glucose en zuurstof. Dit levert energie op.